ECLI:NL:RBDHA:2026:6670
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een Nigeriaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen en tijdelijk verblijf genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister legde op 10 juli 2025 een terugkeerbesluit op, omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd en de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopte.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, omdat de bevriezing voor alle derdelanders tot 4 september 2025 gold en hij daardoor legaal in Nederland verbleef. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming van eiser al op 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank verwees naar het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de EU, waarin is bepaald dat facultatieve tijdelijke bescherming eerder kan worden beëindigd mits de doelstellingen van de RTB en beginselen van het Unierecht worden gerespecteerd.
De rechtbank verwierp het beroep en stelde dat de voorlopige voorziening die eiser aanvoerde slechts de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit opschortte, maar niet het verblijf rechtmatig maakte. De rechtbank concludeerde dat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden van de RTB en dat het terugkeerbesluit terecht is opgelegd. Het beroep is ongegrond verklaard en eiser moet binnen de gestelde termijn terugkeren naar Nigeria.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.