ECLI:NL:RBDHA:2026:6672
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling
Verzoeker ontving op 29 januari 2024 een brief van de minister van Asiel en Migratie waarin werd meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Regeling tijdelijke bescherming (RTB) per 4 maart 2024 werd beëindigd, verwijzend naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024.
Tegen deze brief stelde verzoeker beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek.
Op 20 februari 2026 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 25/22653), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J. Catsburg en griffier M.M. Tank, en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak inmiddels is beslist.