Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11035
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling met medische klachten ongegrond verklaard

Eiser, een Somalische vreemdeling met medische problemen zoals hartklachten, oogpijn en een eerdere teelbaloperatie, werd geconfronteerd met een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij voerde aan dat deze maatregel onevenredig bezwarend was vanwege zijn gezondheidstoestand.

De rechtbank overwoog dat de medische problemen door verweerder waren erkend en dat er adequate medische zorg beschikbaar is in het detentiecentrum. Er was geen bewijs dat eiser geen toegang had tot deze zorg of dat deze ontoereikend was. Daarom werd het standpunt dat de maatregel onevenredig bezwarend zou zijn verworpen.

Daarnaast stelde de rechtbank ambtshalve de vraag of de refoulementbeoordeling, zoals vereist na het arrest Adrar, voldoende was uitgevoerd. Verweerder verwees naar een recente asielbeschikking en uitspraak waarin was vastgesteld dat er geen risico op refoulement bestaat. Eiser onderschreef dit standpunt. Omdat er geen nieuwe omstandigheden of elementen waren, volstond een verwijzing naar de eerdere beoordeling.

De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt en dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11035

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2026 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste, tweede en zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.J.K. Kennedid. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [datum] 2004.
Is de maatregel onevenredig bezwarend?
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is vanwege de medische problemen die hij ondervindt. Hij heeft hartproblemen, pijn in zijn rechteroog en is geopereerd aan zijn teelbal.
3. De rechtbank overweegt dat verweerder deze medische problemen heeft onderkend en heeft kunnen overwegen dat dit geen aanleiding vormt om af te zien van het opleggen van de maatregel. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat er in het detentiecentrum een medische dienst is. Niet is gebleken dat eiser zich niet tot de medische dienst in het detentiecentrum kan wenden, of dat de aangeboden zorg voor hem ontoereikend is. De rechtbank volgt eiser daarom niet in het standpunt dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. De rechtbank heeft ambtshalve ter zitting de vraag opgeworpen of, gelet op het arrest Adrar [1] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2026, [2] is beoordeeld of het risico op refoulement zich tegen eisers uitzetting verzet, nu deze beoordeling in de maatregel ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen risico op refoulement is, onder verwijzing naar de recente asielbeschikking en de uitspraak van 28 januari 2026 op het daartegen ingestelde beroep, waarin deze rechtbank en zittingsplaats heeft vastgesteld dat er geen risico op refoulement is. [3] Eiser heeft ter zitting verklaard dit standpunt van verweerder te volgen.
4.1.
Nu eiser eerder een asielprocedure heeft doorlopen, en niet is gebleken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder kan volstaan met een verwijzing naar de eerdere asielprocedure waarin al een refoulementbeoordeling is gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt.
5. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
2.BRS.25.000423, op www.raadvanstate.nl.
3.Zaaknummers NL25.57361 en NL25.57362, niet gepubliceerd.