ECLI:NL:RBDHA:2026:6681
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen verblijfsvergunning
Verzoekster diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 23 december 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat verzoekster recht had op vergoeding van proceskosten. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast, wat resulteerde in een vergoeding van €467,- plus griffierecht.
De rechtbank wees het door de minister aangeboden lagere bedrag af, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar bekendgemaakt op 12 maart 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €467,- aan proceskosten en het griffierecht aan verzoekster.