ECLI:NL:RVS:2024:1253
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Verhoging proceskostenvergoeding bij niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling stelde op 26 september 2023 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep gegrond en legde de staatssecretaris een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 218,75 op.
De vreemdeling ging tegen de hoogte van deze proceskostenvergoeding in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een te lage wegingsfactor (0,25) had toegepast voor de proceskostenvergoeding, terwijl volgens vaste rechtspraak een wegingsfactor van 0,5 passend is bij beroepen tegen niet tijdig beslissen.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de staatssecretaris tot een hogere vergoeding van in totaal € 875,00, bestaande uit € 437,50 voor het beroep en € 437,50 voor het hoger beroep. De zaak werd als licht aangemerkt, passend bij de aard van het beroep.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot een verhoogde proceskostenvergoeding van € 875,00 aan de vreemdeling.