De minister van Asiel en Migratie legde op 5 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 maart 2026 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht omtrent zijn psychische problematiek en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Hij voegde een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming toe waaruit zijn kwetsbaarheid bleek. De rechtbank oordeelde echter dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij en dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten waren om af te zien van bewaring of een piketarts in te schakelen.
De rechtbank nam mee dat eiser tijdens een eerdere bewaring tijdelijk was opgenomen in een psychiatrisch centrum, maar daarna terugkeerde naar het detentiecentrum en verklaarde gezond te zijn zonder medicatie. Ook tijdens het aanmeldgehoor en de zitting gaf eiser aan zich goed te voelen. De minister had daarom terecht geconcludeerd dat de bewaring niet onevenredig belastend was.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.