Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Als tijdens de bewaring bekend wordt dat een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd, wordt voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Dienst Terugkeer en Vertrek of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het CJIB over de executie van het vonnis.”
alvorens de bewaringsmaatregel wordt opgelegd, dient te worden nagegaan of een strafrechtelijk vonnis of arrest nog niet ten uitvoer is gelegd”. Verweerder gaat niet over de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijk vonnis of arrest en bepaalt ook niet met welke prioriteit welke straffen worden geëxecuteerd. Verweerder dient zich te vergewissen of er een tenuitvoerlegging dient plaats te vinden en dient dan te wachten met het bewaringstraject totdat het strafrechtelijk traject is beëindigd.
voorafgaand aan oplegging van de maatregeleen uittreksel uit de justitiële documentatie moeten opvragen. Indien een maatregel wordt opgelegd en nadien wordt opgeheven om alsnog een vrijheidsontneming op strafrechtelijke titel te ondergaan, welke titel reeds bestond ten tijde van de oplegging, zal de rechtbank de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel reeds hierom onrechtmatig achten. Doordat verweerder, in het geval van eiseres, de justitiële documentatie niet voorafgaand aan oplegging van de maatregel heeft bekeken, heeft verweerder zich niet vergewist of een mogelijk nog te executeren vrijheidsontnemende straf of maatregel in de weg stond aan oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Dit betekent dat de maatregel onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
voorafgaand aan oplegging van de maatregelhet Openbaar Ministerie moeten vragen of er bezwaar bestond tegen een mogelijke uitzetting. Verweerder stelt eiseres immers ter fine van de uitzetting in bewaring. Indien het Openbaar Ministerie geen toestemming geeft, kan de inbewaringstelling niet tot uitzetting leiden en kan dus niet tot inbewaringstelling worden overgegaan totdat het Openbaar Ministerie die vereiste toestemming in een later stadium, na afronding van alle strafrechtelijke trajecten, alsnog geeft. Alle feiten en omstandigheden waarop het Openbaar Ministerie zijn beslissing om al dan niet bezwaar te hebben tegen de uitzetting, hebben zich reeds voorgedaan voorafgaand aan de overname door de vreemdelingenketen. Gelet hierop en gelet op het doel van de maatregel bestaat er dus geen enkele rechtvaardiging om in het beleid te bepalen dat deze toestemming pas op een later moment, na oplegging en deels tenuitvoerlegging van de maatregel hoeft te worden gevraagd. Indien het Openbaar Ministerie na oplegging en gedurende de tenuitvoerlegging aangeeft bezwaar te hebben tegen de uitzetting of overdracht, heeft de bewaringsmaatregel nimmer
kúnnenleiden tot de feitelijke uitzetting en overdracht. Een situatie dat een bewaringsmaatregel wordt opgelegd maar nimmer tot verwezenlijking van het doel waarvoor de maatregel is opgelegd kan leiden, is eenvoudig te voorkomen door het Openbaar Ministerie, in omstandigheden zoals hier aan de orde,
voorafgaand aan oplegging van de maatregel om toestemming voor de uitzetting of overdracht vragen. Voor zover verweerder op grond van zijn beleid deze toestemming in omstandigheden zoals hier aan de orde niet voorafgaand aan oplegging van de maatregel hoeft te vragen, acht de rechtbank dit beleid onverenigbaar met het karakter van vrijheidsontneming op vreemdelingrechtelijke gronden.
op welk moment in het bewaringstrajecthet Openbaar Ministerie moet worden bevraagd of er bezwaar tegen een mogelijke uitzetting of overdracht bestaat. De Afdeling heeft dit in haar uitspraken als volgt gemotiveerd:
nietakkoord gaat met de uitzetting of overdracht, verdragen de uitgangspunten van de vreemdelingenbewaring zich niet met een termijn van drie werkdagen die pas ingaat als de maatregel reeds is opgelegd en reeds wordt tenuitvoergelegd.
uitdrukkelijkte bevestigen aan verweerder. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:11306). Denkbaar is ook dat een telefonisch akkoord wordt gegeven en dit vervolgens, na oplegging van de maatregel, schriftelijk wordt bevestigd. In het geval de toestemming wel voorafgaand aan oplegging van de maatregel is gevraagd, maar het Openbaar Ministerie niet in staat is om voorafgaand aan oplegging van de maatregel te beslissen of toestemming wordt gegeven voor de uitzetting of overdracht, dient dit te worden gemotiveerd in de maatregel, zodat de bewaringsrechter dit kan betrekken bij de rechtmatigheidsbeoordeling.
voorafgaand aan oplegging van de bewaringsmaatregeleen uittreksel uit de justitiële documentatie moet raadplegen en, indien een situatie als bedoeld paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 aan de orde is, voorafgaand aan oplegging van de bewaringsmaatregel het Openbaar Ministerie moet vragen of bezwaar bestaat tegen een mogelijke uitzetting of overdracht en enkel indien een
uitdrukkelijk akkoordwordt ontvangen over kan gaan tot oplegging van de maatregel. Indien dit alles niet kan plaatsvinden in de daartoe maximaal gestelde termijn, dient verweerder dit kenbaar in de maatregel te motiveren, zodat de bewaringsrechter dit kan betrekken bij de beoordeling of de maatregel rechtmatig is opgelegd.