Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op haar nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 31 maart 2025 een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd en geen besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. Het beroep wordt gegrond verklaard omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt zij een dwangsom van € 250,- per dag op voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd over de periode van de eerdere termijnoverschrijding.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 200,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier A.W. van Eerden op 25 maart 2026.