Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6741

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11820552 \ RL EXPL 25-14173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7 Titel 10 BWArt. 25 LMAArt. 9 Bezoldigingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering wegens waarnemingswerkzaamheden en extra werkzaamheden Brussel/OCTA-dossier

De zaak betreft een loonvordering van een senior medewerker bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao in Den Haag tegen het land Curaçao. De medewerker vordert betaling van een waarnemingstoelage voor de periode januari tot en met november 2021 en een toeslag voor extra werkzaamheden met betrekking tot het Brussel/OCTA-dossier.

De kantonrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. De waarnemingstoelage over 2021 is na dagvaarding betaald, maar de vakantietoeslag en wettelijke verhoging wegens te late betaling zijn nog verschuldigd. De kantonrechter kent een vakantietoeslag van 2% toe, gelet op de geldende inkorting van arbeidsvoorwaarden, en een wettelijke verhoging van 50% over het te laat betaalde loon.

De vordering voor een toeslag voor extra werkzaamheden aan het Brussel/OCTA-dossier wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de vereisten voor een extra toelage. De werkzaamheden behoren tot de reguliere taken van de waargenomen functie en zijn niet van tijdelijke aard. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het land Curaçao moet de waarnemingstoelage over 2021 met wettelijke verhoging en rente betalen, maar de vergoeding voor extra werkzaamheden wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
esp/c
Zaaknummer: 11820552 \ RL EXPL 25-14173
Vonnis van 19 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. F.E. Boonstra,
tegen
HET LAND CURAÇAO, de openbare rechtspersoon het land binnen het Koninkrijk der Nederlanden,
zetelend te Willemstad, Curaçao,
gedaagde partij,
hierna te noemen: het land Curaçao,
gemachtigde: mr. V. Breedveld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is sinds 3 april 2018 in dienst bij het land Curaçao op grond van een arbeidsovereenkomst voor (inmiddels) onbepaalde duur, in de functie van senior medewerker Algemene en Juridische Zaken bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao (het Kabinet) in Den Haag. Zijn salaris bedraagt op dit moment € 6.135,88 bruto per maand (schaal 13, trede 9), exclusief 8% vakantietoeslag.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst gesloten tussen [eisende partij] en het land Curaçao is onder meer het volgende opgenomen:
“Artikel 5
De werknemer kan aan deze overeenkomst geen recht ontlenen op aanstelling in vaste of tijdelijke dienst als ambtenaar in de zin van artikel 1 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht, (A.B. 2010 no. 87).
Artikel 6
Op deze overeenkomst zijn van toepassing:
1. de wettelijke regelingen die in Nederland gelden op het gebied van loonbelasting en verplichte premies voor werknemer en werkgever, alsook de bijbehorende wettelijke aanspraken op financiële tegemoetkoming in geval van ziekte en zwangerschapsverlof.
2. de bepalingen vervat in de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren (P.B. 1969, nr. 44, zoals gewijzigd), tenzij hiervan nadrukkelijk wordt afgeweken.”
2.3.
In het tussen [eisende partij] en het land Curaçao overeengekomen addendum arbeidsovereenkomst van 24 augustus 2020 is onder meer het volgende opgenomen:
“Verklaren hierbij te zijn overeengekomen dat artikel 6 vanaf Pro 3 april 2018 en 3 april 2019 respectievelijk als volgt wordt gelezen:
Dat op de reeds aangegane overeenkomst (…) partijen overeengekomen zijn dat:
3. artikel 25 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (A.B. 2010 no. 87);
4. artikel 9 van Pro het Bezoldigingslandbesluit 1998 (P.B. 1997, no 34),
van overeenkomstige toepassing zijn.
(…)
De overige bepalingen, zoals opgenomen in de voornoemde arbeidsovereenkomst, blijven onverkort van toepassing.”
2.4.
Het Kabinet is de officiële vertegenwoordiging van het land Curaçao in Nederland en de Europese Unie. Het Kabinet valt onder het ministerie van Algemene Zaken te Willemstad. Het Kabinet staat de gevolmachtigde minister van Curaçao in Nederland (de Gevolmachtigde Minister) bij en staat onder leiding van een directeur. Het Kabinet is geen zelfstandig bestuursorgaan maar onderdeel van het land Curaçao. De formatie van het Kabinet en de kwalificaties van de functies binnen het Kabinet worden, op voordracht van de Gevolmachtigde Minister, door de regering te Curaçao vastgesteld. Personeel werkzaam bij het Kabinet is in dienst van het land Curaçao. Besluiten over aanstelling, bezoldiging en toelagen worden genomen door de minister van Algemene Zaken op Curaçao.
2.5.
Bij landsbesluit van 29 oktober 2018 is [eisende partij] aangewezen om met ingang van 20 juni 2018 tot en met augustus 2018 bij afwezigheid of ontstentenis van de directeur van het Kabinet deze te vervangen. Deze waarneming is bij landsbesluit van 7 mei 2019 verlengd voor de periode 3 november 2019 tot 3 april 2020 en bij landsbesluit van 12 augustus 2020 verlengd vanaf 3 april 2020. Bij landsbesluit van 7 december 2021 het laatstgenoemde waarnemingsbesluit ingetrokken en is de waarneming per die datum geëindigd.
2.6.
Op 16 december 2019 is door de directeur van het Kabinet aan [eisende partij] de behandeling van het Brussel/OCTA-dossier overgedragen.
2.7.
Bij brief van 24 september 2020 heeft [eisende partij] de Gevolmachtigde Minister verzocht de toelage voor de waarneming van de directeursfunctie bij het Kabinet te verhogen dan wel zijn functie op te waarderen en daarnaast om hem een toelage van 25% toe te kennen voor zijn werkzaamheden met betrekking tot het Brussel/OCTA-dossier.
2.8.
Bij ministeriële beschikking van 28 september 2020 is onder verwijzing naar de landsbesluiten van 29 oktober 2018 en 7 mei 2019, de aan [eisende partij] toe te kennen toelage vast gesteld voor de dagen dat hij belast was met waarneming in de periode van 20 juli 2018 tot en met 17 januari 2019. Daarbij is toegelicht dat aan [eisende partij] een toelage wordt toegekend
“(…) gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging welke hem bij benoeming in de functie van Directeur van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao in Nederland (schaal 16) zou zijn toegekend en de door hem genoten bezoldiging”.Daarbij is op de voet van artikel 25, tweede lid, onder b en vierde lid, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht, hem over de dagen in het jaar 2018 een toelage toegekend van NAf. 740,00 per maand en over de dagen in het jaar 2019 NAf. 997,00 per maand.
2.9.
Bij brief van 28 oktober 2020 heeft de Gevolmachtigde Minister de hiervoor genoemde brief van [eisende partij] van 24 september 2020 aan de Minister van Algemene Zaken doorgestuurd waarbij hij heeft voorgesteld om een van de twee door [eisende partij] genoemde voorstellen ten aanzien van de vergoeding voor de waarneming van de directeursfunctie te realiseren en om [eisende partij] conform artikel 9 Bezoldigingsbesluit Pro 1998 een toelage van 25% toe te kennen voor het Brussel/OCTA-dossier.
2.10.
Het Brussel/OCTA-dossier is op 13 april 2021 overgedragen aan een andere medewerker van het Kabinet.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – om het land Curaçao bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling
  • van een bedrag van € 14.035,36 in verband met waarneming directeursfunctie, bestaande uit een waarnemingstoelage van € 7.306,56, vermeerderd met 8% vakantietoeslag van € 584,52, een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% van € 3.945,54 en wettelijke rente vanaf 1 februari 2021;
  • van een bedrag van € 48.622,62 in verband met extra werkzaamheden Brussels/OCTA-dossier, bestaande uit een toelage van 25% gedurende 16 maanden van € 24.543,52, vermeerderd met 8% vakantietoeslag van € 1.963,48, een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% van € 13.253,50 en wettelijke rente vanaf 16 december 2019;
met veroordeling van het land Curaçao in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.
Het land Curaçao is op grond van de arbeidsovereenkomst en de daarbij behorende addenda gehouden [eisende partij] de overeengekomen waarnemingsvergoeding en de vergoedingen voor de extra werkzaamheden te betalen. Op grond van artikel 25 van Pro de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (A.B. 2010 no. 87) (LMA) heeft [eisende partij] recht op een waarnemingstoelage. Hij heeft op 31 maart 2022 opgave gedaan van de dagen waarop hij de directeursfunctie in 2021 heeft waargenomen. Op grond van artikel 9 van Pro het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (P.B. 1997, no. 34) (het Bezoldigingsbesluit) en de circulaire d.d. 7 juni 2013 (de circulaire), heeft [eisende partij] recht op een toelage van 25% van de bezoldiging voor zijn werkzaamheden met betrekking tot het Brussel/OCTA-dossier. Voldaan is aan de vijf criteria zoals vermeld in de circulaire: extra taken, tijdelijke werkzaamheden, opgedragen werkzaamheden, extra inspanning en het structureel zijn van het dagelijks werk. [eisende partij] heeft recht op een vakantietoeslag van 8%. Omdat sprake is van niet-tijdige betaling van loon, dient het land Curaçao de verhoging bedoeld in artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te betalen. Het land Curaçao is in verzuim en dient daarom conform artikel 6:119 BW Pro wettelijke rente te betalen.
3.3.
Het land Curaçao voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen.
3.4.
Het land Curaçao voert daartoe – verkort weergegeven – het volgende aan. De aan [eisende partij] toekomende waarnemingstoelagen tot en met januari 2021 zijn betaald. In augustus 2025 is een herberekening gemaakt van de aan [eisende partij] toekomende waarnemingstoelage. Deze resulteerde in een bedrag van € 7.910,29 bruto, inclusief wettelijke rente en vakantietoeslag, welk bedrag op 28 augustus 2025 is betaald. Artikel 25 LMA Pro geeft de grondslag voor de waarnemingstoelage. Er is op grond hiervan noch op grond van artikel 9 van Pro het Bezoldigingsbesluit of de circulaire aanleiding om voor de werkzaamheden ten aanzien van het Brussel/OCTA-dossier aan [eisende partij] een extra toelage toe te kennen. Ondanks dat de arbeidsovereenkomst in Nederland wordt uitgevoerd, wordt deze mede beheerst door het (publiek)recht van Curaçao. Voor Curaçao geldt in de regel een vakantie-uitkering van 6% en vanaf 2020 gold voor personeel in dienst van de overheid een tijdelijke beperking tot 2%. Het regime van artikel 7:625 BW Pro is hier niet van toepassing.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Het land Curaçao zetelt op Curaçao. Daarmee draagt de procedure een interregionaal karakter en moet de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van [eisende partij] kennis te nemen. Er bestaat geen regeling ter bepaling van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard. Omdat het land Curaçao niet in een staat van de Europese Unie zetelt, is artikel 4 van Pro de herschikte EEX-Verordening (EU) nr. 1215/2012 niet van toepassing en wordt de interregionale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De vordering van [eisende partij] is gebaseerd op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Niet in geschil is dat hij zijn werkzaamheden uitvoerde (en uitvoert) in Nederland. De kantonrechter is van oordeel dat zij op grond van artikel 6 sub b Rv Pro rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 100 Rv Pro is de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, bevoegd van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Op grond van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is de hoofdregel dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen (uitdrukkelijk) hebben gekozen. In de arbeidsovereenkomst is geen rechtskeuze gemaakt. Artikel 8 lid 2 Rome Pro I bepaalt dat, als er geen rechtskeuze is gemaakt, het recht van het land waar de werknemer zijn werk gewoonlijk verricht van toepassing is. Dat betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is.
Arbeidsovereenkomst
4.3.
Met partijen stelt de kantonrechter vast dat sprake is van een civielrechtelijke, individuele arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht. De overeenkomst beantwoordt immers aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst en niet in geschil is dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst. Daarmee zijn de bepalingen van Boek 7 Titel 10 BW van toepassing op de arbeidsovereenkomst.
4.4.
De vorderingen van [eisende partij] hebben betrekking op een waarnemingstoelage en een toeslag voor extra werkzaamheden die hun grondslag vinden artikel 25 LMA Pro en artikel 9 Bezoldigingsbesluit Pro. In de arbeidsovereenkomst en addendum arbeidsovereenkomst van 24 augustus 2020 zijn deze bepalingen en de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren op de arbeidsrelatie van toepassing verklaard.
Waarnemingstoelage
4.5.
Op grond van artikel 25 LMA Pro kan de betrokken minister aan een ambtenaar een waarnemingstoelage toekennen wanneer deze tijdelijk een ander, belangrijker en verantwoordelijker ambt waarneemt. Die toelage bestaat uit het verschil tussen de reguliere bezoldiging van de ambtenaar en de bezoldiging waarop hij aanspraak zou kunnen maken als hij in het desbetreffende ambt zou zijn benoemd. Volgens vaste jurisprudentie kunnen ook niet-ambtenaren, zoals in dit geval [eisende partij] , als waarnemer zoals bedoeld in artikel 25 LMA Pro worden benoemd.
4.6.
Bij ministeriële beschikking van 28 september 2020 is de aan [eisende partij] toe te kennen toelage vast gesteld voor de dagen dat hij belast was met waarneming in de periode van 20 juli 2018 tot en met 17 januari 2019. [eisende partij] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze vaststelling en deze toelage is aan hem betaald. [eisende partij] ’s vordering ziet op de waarneming gedurende de periode januari 2021 tot en met november 2021, waarvan hij bij mailbericht van 31 maart 2022 opgave heeft gedaan. Uitgaande van een toelage van NAf. 997,00 per maand heeft [eisende partij] ’s gemachtigde bij brief aanspraak gemaakt op een aan [eisende partij] toekomende waarnemingsvergoeding van (NAf. 10.354,12) € 7.306,56 bruto, te vermeerderen met vakantiegeld, wettelijke verhoging en wettelijke rente. Hoewel het land Curaçao betwist dat [eisende partij] alle door hem opgegeven dagen heeft waargenomen, is hij met een herberekening, waarbij alle door [eisende partij] opgegeven dagen zijn betrokken, tot een waarnemingsvergoeding van € 7.316,21 bruto gekomen (dat is € 10,00 meer dan uit [eisende partij] ’s berekening volgt) en heeft hij die vergoeding inclusief een vakantietoeslag en wettelijke rente (in totaal een bedrag van € 7.910,29) op 28 augustus 2025 aan [eisende partij] betaald. Daarmee is de waarnemingstoelage, weliswaar na datum dagvaarding, voldaan. De kantonrechter stelt vast dat er (inmiddels) geen verschil van inzicht tussen partijen meer bestaat over een aan [eisende partij] over deze periode toekomende waarnemingsvergoeding. Voor zover het land Curaçao meent dat hij eigenlijk te veel aan waarnemingsvergoeding heeft betaald, omdat ook ziektedagen zijn gehonoreerd, oordeelt de kantonrechter dat het land Curaçao dat – in het licht van [eisende partij] ’s betwisting daarvan – onvoldoende heeft onderbouwd. Partijen twisten echter nog over de aan [eisende partij] over dit bedrag toekomende vakantietoeslag en over een aan [eisende partij] te betalen wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro.
Vakantietoeslag
4.7.
Uit de standpunten van partijen volgt dat [eisende partij] een vakantietoeslag toekomt over de waarnemingstoelage. Volgens [eisende partij] dient deze, net zoals over zijn reguliere salaris, 8% te bedragen. Het land Curaçao wijst erop dat op grond van de Landsverordening inkorting arbeidsvoorwaarden 2020 (P.B. 2020, no 158) (Lv inkorting 2020) voor personeel in dienst van de overheid per 2020 tijdelijk een beperking tot 2% gold.
4.8.
Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat partijen de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren op de arbeidsovereenkomst van toepassing hebben verklaard. Op 30 december 2020 is de Lv inkorting 2020 afgekondigd. De Lv inkorting 2020 is ingegeven door een van de voorwaarden die door de Nederlandse overheid zijn verbonden aan financiële steun: inkorting van het totale pakket aan arbeidsvoorwaarden van het personeel werkzaam in de (semi)publieke sector. De Lv inkorting 2020 geeft inkortingsmaatregelen met betrekking tot vakantiedagen en vakantie-uitkeringen voor ambtenaren en werknemers zoals deze zijn vastgesteld in de op ambtenaren van toepassing zijnde vakantieregelingen en Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers. Onduidelijk is waarom partijen de toepasselijkheid van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren zijn overeengekomen en niet die van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers, nu vaststaat dat [eisende partij] een werknemer en geen ambtenaar is. Wat daarvan ook zij, deze toepasselijkheid heeft tot gevolg dat de aan [eisende partij] toekomende vakantietoeslag kan worden gewijzigd. Gesteld noch gebleken is dat een beperking van de vakantietoeslag tot 2% verder gaat dan waartoe de Lv inkorting 2020 noopt, zodat de kantonrechter voor de vaststelling van de aanspraken van [eisende partij] ten aanzien van de waarneming van de directeursfunctie in 2021 uitgaat van een aanspraak op 2% vakantietoeslag. Een vakantietoeslag van 2% zal hierna worden toegewezen over de waarnemingstoelage over 2021.
Wettelijke verhoging
4.9.
[eisende partij] vordert een wettelijke verhoging bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over de aan hem toekomende waarnemingstoelage en vakantietoeslag. Op grond van artikel 7:625 BW Pro heeft een werknemer als het loon niet op tijd wordt betaald, aanspraak op een verhoging wegens vertraging wanneer het niet betalen de werkgever is toe te rekenen. Deze wettelijke verhoging loopt op tot 50% van het te laat betaalde loon. Van deze bepaling mag niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Het gaat hier om een loonaanspraak uit werkzaamheden die aan [eisende partij] in het kader van zijn arbeidsovereenkomst zijn opgedragen door middel van een landsbesluit. Daarmee valt niet in te zien dat artikel 7:625 BW Pro op het aan [eisende partij] toekomende loon niet van toepassing is, zoals het land Curaçao meent, althans het land Curaçao heeft daarvoor onvoldoende onderbouwing gegeven.
4.10.
Om te kunnen beoordelen of [eisende partij] aanspraak heeft op deze wettelijke verhoging moet worden vastgesteld dat het land Curaçao te laat is met betaling door de waarnemingstoelage op 28 augustus 2025 te betalen. Uit de verschillende landsbesluiten volgt niet wanneer een waarnemingstoelage moet worden betaald. Ook de LMA en het Bezoldigingsbesluit geven daarover geen uitsluitsel. Uit artikel 7:623 BW Pro lijkt voor een toelage waarover het hier gaat, te volgen dat deze telkens aan het einde van de desbetreffende maand had moeten worden betaald.
4.11.
De door partijen beschreven situatie en vereiste instemming door de minister van Algemene Zaken op Curaçao maken echter duidelijk dat in de praktijk maandelijkse uitkering van de waarnemingstoelage praktisch niet uitvoerbaar was en niet werd gevolgd. Dat volgt ook uit de ministeriële beschikking van 28 september 2020 waarbij de waarnemingstoelage over de jaren 2018 en 2019 is vastgesteld. Door [eisende partij] is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat als er niet maandelijks kon worden betaald er conform de regels binnen een periode van zes maanden of één jaar werd betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het land Curaçao toegelicht dat deze toeslag achteraf werd vastgesteld en jaarlijks werd betaald. Ook als uit moet worden gegaan van jaarlijkse betaling van de waarnemingstoelage, nadat de desbetreffende data door [eisende partij] waren opgegeven, is duidelijk dat de waarnemingstoelage veel te laat is betaald. [eisende partij] heeft immers de dagen waarop hij in 2021 heeft waargenomen – in ieder geval – op 31 maart 2022 opgegeven. Betaling is pas op 28 augustus 2025 gevolgd. Daarmee is sprake van een aanzienlijke vertraging in de betaling van loon zoals bedoeld is artikel 7:625 BW Pro. Door het land Curaçao is niet, althans niet voldoende, onderbouwd dat deze niet tijdige voldoening niet aan hem kan worden toegerekend. De kantonrechter ziet geen reden tot matiging zodat, zoals hierna te melden, een wettelijke verhoging van 50% zal worden toegewezen over de verschuldigde waarnemingstoelage en de vakantietoeslag.
Wettelijke rente
4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde waarnemingstoelage over 2021 van € 7.306,56 bruto, vermeerderd met een bedrag van 146,13 bruto voor de daarover verschuldigde vakantietoeslag van 2% zal worden toegewezen. Gelet op het voorgaande had de waarnemingstoelage en de vakantietoeslag in ieder geval voor het einde van 2022 aan [eisende partij] moeten zijn betaald. Voor een ander moment is onvoldoende onderbouwing te vinden in de standpunten van partijen. De door [eisende partij] gevorderde wettelijke rente over de waarnemingstoelage en vakantietoeslag wordt daarom toegewezen vanaf 1 januari 2023.
4.13.
Daarnaast zal over de som de waarnemingstoelage en de vakantietoeslag een wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro van 50% worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze wettelijke verhoging is pas opeisbaar na ingebrekestelling. Daarom zal de wettelijke rente over de wettelijke verhoging worden toegewezen vanaf (acht dagen na de brief van 16 april 2025 van [eisende partij] ’s gemachtigde) 25 april 2025.
4.14.
Daarbij zal worden bepaald dat het door het land Curaçao op 28 augustus 2025 betaalde bedrag van € 7.910,29 bruto op de hiervoor genoemde toewijsbare bedragen in mindering strekt.
Vergoeding extra werkzaamheden Brussel/OCTA-dossier
4.15.
[eisende partij] vordert een toeslag van 25% op zijn salaris wegens extra werkzaamheden als gevolg van zijn werkzaamheden met betrekking tot het Brussel/OCTA-dossier. Het land Curaçao betwist dat daarvoor aanleiding is.
4.16.
Dat [eisende partij] in de periode 16 december 2019 tot en met 13 april 2021 het Brussel/OCTA-dossier onder zich had en daarvoor werkzaamheden uitvoerde, staat niet ter discussie. In een brief van 24 september 2020 aan de Gevolmachtigde Minister heeft [eisende partij] – onder meer – om een toeslag verzocht voor deze werkzaamheden. Hoewel hem bij ministeriële beschikking van 28 september 2020 een waarnemingstoelage is toegekend is er niet gereageerd op zijn verzoek met betrekking tot een vergoeding voor het Brussel/OCTA-dossier, ook niet nadat zijn brief door de Gevolmachtigde Minister aan de minister van Algemene Zaken op Curaçao is toegezonden. Het land Curaçao heeft naar voren gebracht dat van een dergelijke extra toelage zoals bedoeld in artikel 25 lid 3 LMA Pro slechts in bijzondere gevallen sprake is en dat de beoordeling daarvan bij de betrokken minister ligt. Beide partijen verwijzen naar artikel 25 lid 3 LAM Pro, artikel 9 Bezoldigingsbesluit Pro en de circulaire en zijn het erover eens dat voor toekenning van een extra toelage vereist is dat het gaat om extra taken, tijdelijke werkzaamheden, opgedragen werkzaamheden, extra inspanning, structureel in dagelijks werk.
4.17.
Met het land Curaçao komt de kantonrechter tot de conclusie dat niet is voldaan aan deze vijf vereisten, althans dat dat door [eisende partij] onvoldoende is onderbouwd. Dat het Brussel/OCTA-dossier niet behoort tot de directeursportefeuille en daarmee valt onder de taken van de waarnemend directeur waar [eisende partij] al een waarnemingstoelage voor ontving, is door hem onvoldoende onderbouwd. Het gaat dus niet om een extra taak, werkzaamheid of inspanning maar behoort tot de reguliere taken van de waargenomen positie. Als dat anders zou zijn geweest dan had het in de lijn van de verwachting gelegen dat directeuren of waarnemers voor of na [eisende partij] een beroep konden doen op een extra toeslag voor het behandelen van het Brussel/OCTA-dossier. Daarvan is echter niet gebleken. Het gaat ook niet om werkzaamheden van tijdelijke aard met een vooraf vastgestelde begin- en einddatum. Onweersproken is immers gebleven dat dit dossier, dat betrekking heeft op de relatie met de Europese Unie, geen tijdelijk karakter heeft en de werkzaamheden daarvoor ook niet. Tot slot is er geen besluit waaruit blijkt dat de desbetreffende minister opdracht of voorafgaande toestemming heeft gegeven voor extra werkzaamheden.
4.18.
[eisende partij] ’s vordering met betrekking tot een vergoeding van werkzaamheden voor het Brussel/OCTA-dossier wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt voor de met deze toeslag samenhangende, gevorderde vakantietoeslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Proceskosten
4.19.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt het land Curaçao om aan [eisende partij] te betalen:
  • een bedrag van € 7.452,69 bruto (zijnde de waarnemingstoelage over 2021 met 2% vakantietoeslag), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 1 januari 2023 tot de dag van volledige betaling,
  • de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% over € 7.452,69 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
en bepaalt dat het door het land Curaçao aan [eisende partij] op 28 augustus 2025 betaalde bedrag van € 7.910,29 bruto daarop in mindering strekt;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.