Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
SGR 26/156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onredelijk late indiening tegen niet tijdig UWV-besluit

Eiseres heeft op 15 mei 2023 een verzoek ingediend bij het UWV om de mate van arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster te herbeoordelen. Het UWV ontving dit verzoek op 16 mei 2023, maar nam binnen de wettelijke termijn geen besluit. Eiseres stuurde daarop op 30 november 2023 een ingebrekestelling, waarna het UWV op 22 februari 2024 een dwangsombeschikking ontving.

Pas op 6 januari 2026 stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen, ruim twee jaar na het verstrijken van de beslistermijn. De rechtbank oordeelt dat dit beroep onredelijk laat is ingediend, omdat het beroepschrift meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke was, werd ingediend. Telefonische contactmomenten in oktober en november 2025 boden geen uitzicht op besluitvorming.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het beroep niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van der Ven op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen door het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/156

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

A.S.R. Re-integratie B.V., uit Utrecht, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv op het verzoek van eiseres van 15 mei 2023 om de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van (ex-)werkneemster [naam] te herbeoordelen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiseres het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is echter niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [1] Als uitgangspunt geldt dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. [2]
4. Op 15 mei 2023 heeft eiseres haar verzoek om herbeoordeling ingediend. Het Uwv heeft dit verzoek op 16 mei 2023 ontvangen. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiseres op 30 november 2023 een ingebrekestelling verstuurd naar het Uwv. Het Uwv heeft de ontvangst daarvan 4 december 2023 bevestigd. Op 22 februari 2024 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven.
5. Eiseres heeft op 6 januari 2026 beroep tegen het niet tijdig beslissen ingesteld.
Dat is meer dan twee jaar na het aflopen van de wettelijke beslistermijn. Dat betekent dat het beroep in beginsel als onredelijk laat moet worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden, waardoor er nog uitzicht op besluitvorming bestaat, kunnen hier verandering in brengen. De telefonische contactmomenten van 15 oktober 2025 en 27 november 2025 vonden bijna twee jaar na het verzenden van de ingebrekestelling plaats. Het uitzicht op besluitvorming was ten tijde van deze telefonische contactmomenten en ten tijde van het indienen van het beroepschrift dus al geruime tijd verloren gegaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
6. Het beroep is gezien het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel.
2.Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, r.o. 3.3.2.