ECLI:NL:RBDHA:2026:675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.51360 en NL25.51361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een asielaanvraag van een Ethiopische vrouw met betrekking tot binnenlands beschermingsalternatief

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres, een Ethiopische vrouw geboren in 1962, heeft op 1 maart 2024 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, na eerder in 2020 asiel te hebben aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 14 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, met de stelling dat eiseres bescherming kan krijgen van de autoriteiten in Ethiopië.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 december 2025 behandeld. Eiseres heeft aangevoerd dat de afwijzing onterecht is, omdat de omstandigheden in Ethiopië zijn veranderd en zij niet kan rekenen op bescherming van de autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres in Addis Abeba geen reëel risico op ernstige schade loopt en dat zij zich daar kan vestigen. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor een zorgvuldige beoordeling van de individuele omstandigheden van asielzoekers en de verplichting van de overheid om deze omstandigheden in samenhang te bezien bij het toekennen van bescherming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51360 en NL25.51361
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Eiseres heeft op 1 maart 2024 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, C. Regasa als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1962 en heeft de Ethiopische nationaliteit. In 2020 heeft eiseres voor het eerst asiel aangevraagd. Aan haar asielaanvraag heeft zij toen ten grondslag gelegd dat zij problemen had met de (lokale) bevolking omdat zij wordt beschouwd als Buda. ‘Buda’ is een Ethiopisch concept dat zich laat vertalen als ‘heks’ of ‘het boze oog’. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres toen afgewezen omdat zij bescherming kon krijgen van de autoriteiten. Dit besluit staat in rechte vast. [1] Op 1 maart 2024 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Zij heeft hierbij een beroep gedaan op het veranderde beleid voor Ethiopië waarbij verweerder nu aanneemt dat iemand die, voorafgaand aan zijn vertrek uit Ethiopië, zijn normale woon- of verblijfplaats buiten Addis Abeba had, geen bescherming van de autoriteiten kan krijgen. Ook heeft eiseres een verslag van een psychologisch onderzoek overgelegd, getuigenverklaringen, en een rapport van de heer [naam], antropoloog aan de University of Edinburgh.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de problemen van eiseres met de (lokale) bevolking omdat zij als Buda wordt gezien, geloofwaardig. De overgelegde getuigenverklaringen kunnen niet als objectief bewijs worden aangemerkt en verweerder hecht hier daarom geringe waarde aan. Over het rapport van de heer [naam] overweegt verweerder dat het onduidelijk is waar hij zijn bevindingen op baseert en dat de inhoud van het rapport niet specifiek over eiseres gaat. Verweerder heeft beoordeeld of de beleidswijziging voor Ethiopië ertoe leidt dat eiseres nu wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Gelet op de individuele omstandigheden van eiseres neemt verweerder aan dat zij wel bescherming kan verkrijgen van de autoriteiten, omdat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij zich opnieuw in Addis Abeba kan vestigen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres daarom opnieuw afgewezen en de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard, omdat het een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Op basis van het nieuwe beleid kan volgens eiseres niet meer zonder meer worden aangenomen dat zij bescherming kan krijgen van de Ethiopische autoriteiten. Daarbij wijst eiseres op het Algemeen Ambtsbericht (hierna: het AAB) over Ethiopië van januari 2024, specifiek de paragrafen over vestigingsmogelijkheden voor personen van buiten Addis Abeba en de capaciteit van de autoriteiten om bescherming te bieden. Ook verwijst eiseres naar een factsheet van de UNHCR [3] waarin staat dat ontheemde en teruggekeerde vrouwen, met name weduwen, gescheiden of gehandicapte vrouwen, tot de meest kwetsbare groepen behoren en vaak geconfronteerd worden met extra problemen die hen beletten om hun rechten uit te oefenen. Verder heeft verweerder in strijd gehandeld met de vrije bewijsleer in het bestuursrecht door te overwegen dat de getuigenverklaringen geen objectieve bronnen zijn. Ook heeft verweerder de overgelegde medische stukken onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Met betrekking tot de mogelijkheid voor eiseres om zich in Addis Abeba te vestigen, is verweerder er niet of onvoldoende op ingegaan dat eiseres niet in het bezit is van een bewonerspas en dus geen huis en werk kan krijgen en geen beroep kan doen op voorzieningen. Tot slot is verweerder voorbijgegaan aan het feit dat eiseres afhankelijk is van medicatie. Verweerder kan dit niet afdoen met een verwijzing naar een aparte aanvraag op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw). Verweerder moet alle omstandigheden in samenhang bezien en beoordelen bij de vraag of eiseres bij terugkeer naar Ethiopië terecht komt in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM [4] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat verweerder getuigenverklaringen inhoudelijk moet betrekken in zijn beoordeling, ook als de verklaringen niet objectief zijn. [5] Omdat de getuigenverklaringen echter zien op de problemen van eiseres met de (lokale) bevolking omdat zij als Buda wordt gezien, en dit door verweerder geloofwaardig is geacht, maakt dit niet dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht opgenomen dat de verklaringen geen inzicht geven in de mogelijkheid van eiseres om zich te vestigen in Addis Abeba. Ten aanzien van het rapport van de heer [naam] heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte overwogen dat hieruit niet blijkt dat dit gebaseerd is op het dossier van eiseres. Aan het begin van het rapport staat immers dat hij schrijft “
concerning the case of [eiseres], and specifically regarding harassment and persecution of accused “witches” in Ethiopia.” Ook dit maakt echter niet dat het bestreden besluit niet voldoende gemotiveerd is, omdat dit rapport ook ziet op de geloofwaardigheid van de problemen van eiseres als Buda, en die problemen door verweerder geloofwaardig zijn geacht.
6. Over de vraag of eiseres gelet op haar individuele omstandigheden bescherming kan krijgen van de Ethiopische autoriteiten, overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
In de vorige asielprocedure van eiseres is aangenomen dat zij bescherming kan krijgen van de Ethiopische autoriteiten. Daartoe heeft de rechtbank toentertijd overwogen dat uit het AAB over Ethiopië uit 2018 bleek dat in Ethiopië in het algemeen bescherming werd geboden. Eiseres had, in [plaats 1] en [plaats 2], twee keer de politie ingeschakeld en die was ook komen opdagen. De rechtbank heeft destijds geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat het doen van aangifte bij voorbaat kansloos was en dat de Ethiopische autoriteiten haar niet konden dan wel wilden beschermen. Inmiddels is het beleid voor Ethiopië gewijzigd. Verweerder neemt nu aan dat de vreemdeling die, voorafgaand aan het vertrek uit Ethiopië, zijn normale woon- of verblijfplaats buiten Addis Abeba had, geen bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties kan verkrijgen. Dit is mogelijk alleen anders als uit individuele omstandigheden blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten te verkrijgen en de actor van vervolging niet de overheid zelf is. [6] Daarnaast staat in het beleid opgenomen dat verweerder conform paragraaf C2/3.4 van de Vc toetst of er gelet op de individuele omstandigheden een binnenlands beschermingsalternatief in Addis Abeba kan worden tegengeworpen. [7] In paragraaf C2/3.4 van de Vc staat dat verweerder aanneemt dat een ander gebied in het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of een reëel risico op ernstige schade óf toegang heeft tot bescherming;
de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en
van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.
Bij de vraag of verwacht kan worden dat iemand zich redelijkerwijs in dat deel van het land vestigt, gaat het erom dat de vreemdeling zich in het gebied moet kunnen vestigen en een leven moet kunnen leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking.
6.2.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt, zoals ook ter zitting verduidelijkt door de gemachtigde van verweerder, dat eiseres haar normale woon- en verblijfplaats buiten Addis Abeba had, maar dat uit haar individuele omstandigheden blijkt dat zij wel bescherming van de autoriteiten kan verkrijgen. Die individuele omstandigheden bestaan er volgens verweerder uit dat eiseres zich kan vestigen in Addis Abeba. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee feitelijk een binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpt in Addis Abeba. Uit de besluitvorming blijkt echter niet expliciet dat verweerder getoetst heeft aan de in paragraaf C2/3.4 van de Vc genoemde voorwaarden of Addis Abeba gelet op de individuele omstandigheden van eiseres als beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Voor zover verweerder impliciet aan deze voorwaarden heeft getoetst, zoals betoogd ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres in Addis Abeba geen reëel risico op ernstige schade loopt of toegang heeft tot bescherming. Eiseres heeft verklaard dat zij ook in Addis Abeba problemen heeft gehad omdat zij als Buda werd beschouwd. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in de vorige asielprocedure waarin is opgenomen dat eiseres tweemaal de politie heeft ingeschakeld en de politie ook is komen opdagen. Maar dit ging niet over de periode dat eiseres in Addis Abeba verbleef. Over de periode in Addis Abeba heeft eiseres verklaard dat zij vanwege haar problemen naar de politie is gegaan, maar de politie haar heeft uitgelachen en haar niet heeft geholpen.
Volgens verweerder blijkt uit het feit dat eiseres in Addis Abeba voor een periode van zes à zeven maanden een huis gehuurd heeft dat zij zich daar opnieuw kan vestigen. Eiseres heeft in de correcties en aanvullingen op het gehoor echter aangegeven dat zij in die periode zowel in [plaats 1] als in Addis Abeba verbleef, en dat zij in Addis Abeba geen bewonerspas had en binnen het illegale circuit een plek moest vinden om te slapen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gevolgd dat eiseres geen bewonerspas had voor Addis Abeba. Eiseres heeft gewezen op het AAB over Ethiopië waarin over vestigingsmogelijkheden voor personen van buiten Addis Abeba het volgende staat: “Personen die zich buiten hun eigen regio wilden vestigen, moesten een brief van de oude kebele overleggen aan de nieuwe kebele. Zonder een dergelijke brief was het onmogelijk zich te registreren. Deze procedure werd in de praktijk bemoeilijkt door de vele conflicten, waardoor het vaak moeilijk of zelfs onmogelijk was om aan een dergelijke brief te komen.” [8] Gelet op deze informatie en de verklaringen van eiseres over de wijze waarop zij in Addis Abeba verbleef, heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres op veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot Addis Abeba.
Tot slot heeft verweerder niet gemotiveerd dat van eiseres redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich in Addis Abeba vestigt. Verweerder had dit moeten beoordelen en daarbij alle omstandigheden in samenhang moeten betrekken, waaronder de wijze waarop eiseres eerder in Addis Abeba heeft verbleven, haar problemen omdat zij als Buda wordt gezien, haar medische problemen, en het feit dat zij een weduwe is en uit algemene informatie blijkt dat ontheemde en teruggekeerde vrouwen, met name weduwen en gescheiden of gehandicapte vrouwen, behoren tot de meest kwetsbare groepen en vaak geconfronteerd worden met extra problemen die hen beletten om hun rechten op huisvesting, grond en eigendom uit te oefenen.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank concludeert dat verweerder in feite een binnenlands beschermingsalternatief in Addis Abeba aan eiseres heeft tegengeworpen, maar niet of niet voldoende gemotiveerd aan de voorwaarden getoetst heeft die gelden voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel en de rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
7.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 oktober 2025;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10237 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 november 2020, 202005590/1/V2 (niet gepubliceerd).
2.Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw).
3.UNHCR Ethiopia Factsheet Legal aid & legal awareness January-March 2022, unhcr.org.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1381.
6.Paragraaf C7/14.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
7.Paragraaf C7/14.5.2 van de Vc.
8.Pagina 39 van het AAB over Ethiopië, januari 2024.