3.4.Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de vroege ochtend van 26 april 2025 heeft er een woningbrand plaatsgevonden op de [adres] te Den Haag. De aangevers – de bewoners van de woning – hebben verklaard dat zij in de woonkamer aan het slapen waren toen zij wakker werden door het geluid van een harde knal. Vervolgens werden zij geconfronteerd met een brand in hun slaapkamer en zijn zij de woning uit gevlucht. De aangevers hebben het vermoeden geuit dat de verdachte voor de brandstichting verantwoordelijk zou kunnen zijn, omdat zij met de verdachte al langere tijd in een geschil om de woning zijn verwikkeld. De verdachte heeft in de periode daarvoor – ook in de nacht van de brandstichting – verschillende bedreigingen geuit.
Alternatief scenario
De verdachte heeft ontkend dat hij de brand heeft gesticht en heeft daartoe – pas op het onderzoek ter terechtzitting – een alternatief scenario geschetst. Kort gezegd heeft de verdachte verklaard dat hij met de taxi naar de [straatnaam 1] is gegaan, omdat hij op een pleintje tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] had afgesproken om drugs te brengen. Daar zou de verdachte twee andere jongens hebben gezien die aan de poort van de [adres] rommelden en vervolgens wegrenden. De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens een klap hoorde, in paniek raakte en naar de taxi wegrende. De verdachte is hierop in de taxi gesprongen en met de taxichauffeur weggereden.
De rechtbank is van oordeel dat het alternatief scenario van de verdachte niet aannemelijk is. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat de verdachte tot de inhoudelijke behandeling op de zitting steeds stellig heeft ontkend dat hij ter plaatse is geweest. Hij heeft meermalen benadrukt dat hij niet de klant is over wie de taxichauffeur [naam] (hierna: de taxichauffeur) heeft verklaard. Volgens de verklaring van de taxichauffeur heeft hij deze klant op het tijdstip van de brandstichting nabij de [straatnaam 2] afgezet. In zijn eerste verhoor (op 27 april 2025) heeft de verdachte verklaard in de bewuste nacht niet in de buurt van de woning aan de [straatnaam 2] te Den Haag te zijn geweest, maar wel in een café in [plaats 2] en in de woning van zijn vriendin in [plaats 3]. In zijn tweede verhoor (op 28 april 2025) is de verdachte geconfronteerd met de verklaring van de taxichauffeur. De verdachte beroept zich daarop deels op zijn zwijgrecht, maar in de antwoorden die hij wel geeft, maakt hij duidelijk dat de taxichauffeur niet over hem kan hebben verklaard, bijvoorbeeld: “Hier is allemaal niks van waar ja. Ik heb hier niks mee te maken.” Ook tijdens de voorgeleiding (op 29 april 2025) heeft de verdachte uitdrukkelijk de verklaring van de taxichauffeur betwist (“dat klopt allemaal niet”). Twee maanden later (op 30 juni 2025) heeft de (toenmalige) advocaat van de verdachte aan de rechter-commissaris verzocht om de taxichauffeur als getuige te horen, onder meer als volgt:
“Deze getuige betreft de taxichauffeur die een voor client uitermate belastende verklaring heeft afgelegd. Niet alleen plaatst deze getuige client bij het plaats delict, maar tevens beweert hij dat client rennend aankwam bij de taxi en aangaf dat de taxi snel weg moest rijden, nadat het delict zou hebben plaatsgevonden. Ook suggereert de getuige dat er een brekend geluid te horen was toen die persoon om een korte stop van 3 of 4 minuten van de taxi vroeg. Ook zou die persoon naar ‘iets van brand’ hebben geroken. De verdediging wil hier, gelet op; de ontkennende verklaring van client, verdiepingsvragen over stellen, nu client ontkent die persoon te zijn geweest. Gelet op de post-keskin-jurisprudentie en de uitermate belastende verklaring die deze getuige over client heeft afgelegd, wenst de verdediging vragen aan deze getuige te stellen.”
Een e-mail met de dezelfde motivering om de taxichauffeur te horen is op 4 juli 2025 aan de rechtbank gericht.
Op de eerste zitting (op 21 juli 2025) heeft de verdachte verklaard het niet te hebben gedaan en daar ook niet aanwezig te zijn geweest.
Uiteindelijk is de taxichauffeur (op 22 december 2025) door de rechter-commissaris gehoord. De taxichauffeur heeft bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen in zijn verklaring volhard.
Pas bij de inhoudelijke behandeling (op 5 januari 2026) heeft de verdachte – na kennisneming van het volledige dossier – erkend dat hij inderdaad door de taxichauffeur in de buurt van de [straatnaam 2] is afgezet en dat hij ter plaatse twee mannen zag wegrennen, van wie hij vermoedt dat het de daders waren. Op de vraag ter terechtzitting waarom de verdachte voordien heeft volgehouden dat hij niet op dat tijdstip op die plek was, antwoordde hij dat hij vreesde dat hem de schuld van de brand in de schoenen zou worden geschoven en dat hij bang was voor bedreigingen.
De logica van deze uitleg ontgaat de rechtbank volledig, omdat die informatie aanleiding had kunnen geven tot nader onderzoek dat zijn onschuld had kunnen bewijzen.
De verdachte heeft zijn verklaring op de zitting op geen enkele manier kunnen onderbouwen. De berichten over de drugsdeal die via zijn telefoon zijn gestuurd, zouden niet meer zichtbaar zijn, omdat die telefoon na teruggave niet meer bleek te werken. De verdachte heeft geen controleerbare informatie kunnen verstrekken over de identiteit van de twee jongens die hij zou hebben gezien (anders dan een kleine jongen en een lange jongen van ongeveer 1,85 meter lang) of over de man aan wie hij drugs zou geven.
Het scenario van de verdachte is, gelet op de minimale informatie die hij heeft gegeven, niet verifieerbaar en vindt geen steun in het dossier.
De rechtbank houdt het er daarom voor dat de pas op de inhoudelijke zitting afgelegde verklaring van de verdachte door hem bewust is afgestemd op de voor hem belastende inhoud van het strafdossier en door hem is geconstrueerd teneinde zijn betrokkenheid te verdoezelen. De rechtbank acht het scenario dat verdachte precies rond 05.00 uur in de nacht op steenworp afstand van de achterzijde van de woning aan de [adres], op welke plek de brand is gesticht, aanwezig was om drugs te dealen met een onbekend gebleven persoon, terwijl juist op dat moment voor zijn ogen twee andere onbekende mannen de brandstichting zouden hebben gepleegd, dan ook volstrekt onaannemelijk.
Betrouwbaarheid taxichauffeur
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van de taxichauffeur geen bewijswaarde heeft vanwege de totstandkoming van die verklaringen en het gebrek aan steunbewijs in het dossier. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De verdachte heeft, ook blijkens zijn eigen verklaring ter zitting, die nacht gebruik gemaakt van de taxi van de taxichauffeur. Deze taxichauffeur is bij zowel de politie als de rechter-commissaris als getuige gehoord.
De taxichauffeur heeft al in zijn eerste verhoor een gedetailleerde verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij een man had afgezet op de [straatnaam 1] (vlak bij de woning waar de brand heeft plaatsgevonden). De taxichauffeur is op aanwijzingen van deze man daarnaartoe gereden, omdat de man geen adres wilde geven. De taxichauffeur heeft vervolgens gezien dat de man uitstapte, knielde en iets van de grond pakte, mogelijk een steen. Daarna heeft de taxichauffeur zo’n drie of vier minuten gewacht, hoorde hij gerinkel en zag hij de man aan komen rennen. De man vroeg de taxichauffeur vervolgens om snel weg te rijden. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij bij de man ‘iets van brand’ rook toen hij naar de auto was teruggekeerd. Aan het einde van het verhoor is aan de taxichauffeur een foto van de verdachte getoond, waarna hij heeft gezegd dat dat de man was die in zijn taxi zat.
Anders dan door de raadsman is gesteld, heeft de taxichauffeur deze punten van zijn verklaringen al benoemd bij zijn eerste verhoor bij de politie (op 27 april 2025, ruim een dag na de brand) en niet pas desgevraagd bij de rechter-commissaris. Die verklaring moet dan ook zijn gebaseerd op een ‘verse’ herinnering, die op dat moment nog niet is gekleurd door wat de getuige wellicht uit (latere) nieuwsberichten heeft vernomen. Met name het element dat hij de verdachte zag bukken om (vermoedelijk) iets, mogelijk een steen, te pakken past bij het scenario dat de verdachte de brand heeft gesticht. Uit het onderzoek is gebleken dat de ruit inderdaad lijkt te zijn ingegooid met een in de slaapkamer aangetroffen steen en dat er in de buurt een stapel soortgelijke stenen lag (p. 256 en 262-265).
De verklaring van de taxichauffeur wordt daarnaast door meerdere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund, onder andere door de reisbewegingen van de taxi aan de hand van ANPR-gegevens en de reisbewegingen aan de hand van telefoongegevens. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de taxichauffeur en acht zij deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Achterliggend conflict (motief) en dreigementen
Daarnaast ziet de rechtbank een sterke aanwijzing in het lopend conflict over betaling van de huur tussen de aangevers en de verdachte, waarbij door de verdachte meerdere bedreigingen zijn geuit, in berichten, telefonisch en in persoon. Terwijl de verdachte tijdens meerdere politieverhoren had ontkend gebruik te hebben gemaakt van de telefoon waarmee de bedreigende berichten waren gestuurd, heeft de verdachte deze bedreigingen ter zitting bekend. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte enkele uren vóór de brand, midden in de nacht, nog meermaals heeft gebeld met zowel de bewoners, als de moeder van een van de bewoners, tegen wie hij heeft gedreigd: ‘zeg tegen jouw dochter dat ze weg moet uit mijn huis anders ga ik iets slechts doen’.
Brandstichting en gevaarzetting
Uit het technisch onderzoek volgt dat de brand met motorbenzine is aangestoken, dat de situatie ter plaatse levensgevaarlijk was en dat de schade aan goederen groot was. De aangevers hadden het geluk dat zij op dat moment, in plaats van in de slaapkamer waar de brand was gesticht, in de woonkamer sliepen. De gehele inboedel in de slaapkamer is door de brand verloren gegaan. Ook was er gevaar voor de bewoners van naastgelegen huizen, die hun woningen hebben moeten verlaten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte brand heeft gesticht waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.