ECLI:NL:RBDHA:2026:679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
09-128920-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met gevaar voor goederen en personen

Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van brandstichting. De verdachte, geboren in 1984, werd beschuldigd van het opzettelijk in brand steken van een woning op 26 april 2025, wat leidde tot gevaar voor zowel goederen als personen. Tijdens de zitting heeft de verdachte een alternatief scenario gepresenteerd, waarin hij beweerde niet ter plaatse te zijn geweest, maar de rechtbank achtte dit scenario niet aannemelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte eerder bedreigingen had geuit aan de bewoners van de woning, wat een motief voor de brandstichting vormde. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan brandstichting en legde een gevangenisstraf op van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en behandeling door een reclasseringsinstantie. Daarnaast werden er schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, die ook slachtoffer waren van de brand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/128920-25
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1984 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1], locatie [locatie].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 juli 2025, 9 oktober 2025 (pro forma’s) en 5 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Boumanjal naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking betreft een brandstichting van een woning, met gevaar voor goederen en personen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft onder bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Niet als bewijsmiddel is opgenomen hetgeen een anonieme buurtbewoonster heeft verklaard. Ter terechtzitting van 5 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen om deze persoon als getuige te horen. Nu haar verklaring niet tot het bewijs is gebezigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In de vroege ochtend van 26 april 2025 heeft er een woningbrand plaatsgevonden op de [adres] te Den Haag. De aangevers – de bewoners van de woning – hebben verklaard dat zij in de woonkamer aan het slapen waren toen zij wakker werden door het geluid van een harde knal. Vervolgens werden zij geconfronteerd met een brand in hun slaapkamer en zijn zij de woning uit gevlucht. De aangevers hebben het vermoeden geuit dat de verdachte voor de brandstichting verantwoordelijk zou kunnen zijn, omdat zij met de verdachte al langere tijd in een geschil om de woning zijn verwikkeld. De verdachte heeft in de periode daarvoor – ook in de nacht van de brandstichting – verschillende bedreigingen geuit.
Alternatief scenario
De verdachte heeft ontkend dat hij de brand heeft gesticht en heeft daartoe – pas op het onderzoek ter terechtzitting – een alternatief scenario geschetst. Kort gezegd heeft de verdachte verklaard dat hij met de taxi naar de [straatnaam 1] is gegaan, omdat hij op een pleintje tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] had afgesproken om drugs te brengen. Daar zou de verdachte twee andere jongens hebben gezien die aan de poort van de [adres] rommelden en vervolgens wegrenden. De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens een klap hoorde, in paniek raakte en naar de taxi wegrende. De verdachte is hierop in de taxi gesprongen en met de taxichauffeur weggereden.
De rechtbank is van oordeel dat het alternatief scenario van de verdachte niet aannemelijk is. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat de verdachte tot de inhoudelijke behandeling op de zitting steeds stellig heeft ontkend dat hij ter plaatse is geweest. Hij heeft meermalen benadrukt dat hij niet de klant is over wie de taxichauffeur [naam] (hierna: de taxichauffeur) heeft verklaard. Volgens de verklaring van de taxichauffeur heeft hij deze klant op het tijdstip van de brandstichting nabij de [straatnaam 2] afgezet. In zijn eerste verhoor (op 27 april 2025) heeft de verdachte verklaard in de bewuste nacht niet in de buurt van de woning aan de [straatnaam 2] te Den Haag te zijn geweest, maar wel in een café in [plaats 2] en in de woning van zijn vriendin in [plaats 3]. In zijn tweede verhoor (op 28 april 2025) is de verdachte geconfronteerd met de verklaring van de taxichauffeur. De verdachte beroept zich daarop deels op zijn zwijgrecht, maar in de antwoorden die hij wel geeft, maakt hij duidelijk dat de taxichauffeur niet over hem kan hebben verklaard, bijvoorbeeld: “Hier is allemaal niks van waar ja. Ik heb hier niks mee te maken.” Ook tijdens de voorgeleiding (op 29 april 2025) heeft de verdachte uitdrukkelijk de verklaring van de taxichauffeur betwist (“dat klopt allemaal niet”). Twee maanden later (op 30 juni 2025) heeft de (toenmalige) advocaat van de verdachte aan de rechter-commissaris verzocht om de taxichauffeur als getuige te horen, onder meer als volgt:
“Deze getuige betreft de taxichauffeur die een voor client uitermate belastende verklaring heeft afgelegd. Niet alleen plaatst deze getuige client bij het plaats delict, maar tevens beweert hij dat client rennend aankwam bij de taxi en aangaf dat de taxi snel weg moest rijden, nadat het delict zou hebben plaatsgevonden. Ook suggereert de getuige dat er een brekend geluid te horen was toen die persoon om een korte stop van 3 of 4 minuten van de taxi vroeg. Ook zou die persoon naar ‘iets van brand’ hebben geroken. De verdediging wil hier, gelet op; de ontkennende verklaring van client, verdiepingsvragen over stellen, nu client ontkent die persoon te zijn geweest. Gelet op de post-keskin-jurisprudentie en de uitermate belastende verklaring die deze getuige over client heeft afgelegd, wenst de verdediging vragen aan deze getuige te stellen.”
Een e-mail met de dezelfde motivering om de taxichauffeur te horen is op 4 juli 2025 aan de rechtbank gericht.
Op de eerste zitting (op 21 juli 2025) heeft de verdachte verklaard het niet te hebben gedaan en daar ook niet aanwezig te zijn geweest.
Uiteindelijk is de taxichauffeur (op 22 december 2025) door de rechter-commissaris gehoord. De taxichauffeur heeft bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen in zijn verklaring volhard.
Pas bij de inhoudelijke behandeling (op 5 januari 2026) heeft de verdachte – na kennisneming van het volledige dossier – erkend dat hij inderdaad door de taxichauffeur in de buurt van de [straatnaam 2] is afgezet en dat hij ter plaatse twee mannen zag wegrennen, van wie hij vermoedt dat het de daders waren. Op de vraag ter terechtzitting waarom de verdachte voordien heeft volgehouden dat hij niet op dat tijdstip op die plek was, antwoordde hij dat hij vreesde dat hem de schuld van de brand in de schoenen zou worden geschoven en dat hij bang was voor bedreigingen.
De logica van deze uitleg ontgaat de rechtbank volledig, omdat die informatie aanleiding had kunnen geven tot nader onderzoek dat zijn onschuld had kunnen bewijzen.
De verdachte heeft zijn verklaring op de zitting op geen enkele manier kunnen onderbouwen. De berichten over de drugsdeal die via zijn telefoon zijn gestuurd, zouden niet meer zichtbaar zijn, omdat die telefoon na teruggave niet meer bleek te werken. De verdachte heeft geen controleerbare informatie kunnen verstrekken over de identiteit van de twee jongens die hij zou hebben gezien (anders dan een kleine jongen en een lange jongen van ongeveer 1,85 meter lang) of over de man aan wie hij drugs zou geven.
Het scenario van de verdachte is, gelet op de minimale informatie die hij heeft gegeven, niet verifieerbaar en vindt geen steun in het dossier.
De rechtbank houdt het er daarom voor dat de pas op de inhoudelijke zitting afgelegde verklaring van de verdachte door hem bewust is afgestemd op de voor hem belastende inhoud van het strafdossier en door hem is geconstrueerd teneinde zijn betrokkenheid te verdoezelen. De rechtbank acht het scenario dat verdachte precies rond 05.00 uur in de nacht op steenworp afstand van de achterzijde van de woning aan de [adres], op welke plek de brand is gesticht, aanwezig was om drugs te dealen met een onbekend gebleven persoon, terwijl juist op dat moment voor zijn ogen twee andere onbekende mannen de brandstichting zouden hebben gepleegd, dan ook volstrekt onaannemelijk.
Betrouwbaarheid taxichauffeur
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van de taxichauffeur geen bewijswaarde heeft vanwege de totstandkoming van die verklaringen en het gebrek aan steunbewijs in het dossier. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De verdachte heeft, ook blijkens zijn eigen verklaring ter zitting, die nacht gebruik gemaakt van de taxi van de taxichauffeur. Deze taxichauffeur is bij zowel de politie als de rechter-commissaris als getuige gehoord.
De taxichauffeur heeft al in zijn eerste verhoor een gedetailleerde verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij een man had afgezet op de [straatnaam 1] (vlak bij de woning waar de brand heeft plaatsgevonden). De taxichauffeur is op aanwijzingen van deze man daarnaartoe gereden, omdat de man geen adres wilde geven. De taxichauffeur heeft vervolgens gezien dat de man uitstapte, knielde en iets van de grond pakte, mogelijk een steen. Daarna heeft de taxichauffeur zo’n drie of vier minuten gewacht, hoorde hij gerinkel en zag hij de man aan komen rennen. De man vroeg de taxichauffeur vervolgens om snel weg te rijden. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij bij de man ‘iets van brand’ rook toen hij naar de auto was teruggekeerd. Aan het einde van het verhoor is aan de taxichauffeur een foto van de verdachte getoond, waarna hij heeft gezegd dat dat de man was die in zijn taxi zat.
Anders dan door de raadsman is gesteld, heeft de taxichauffeur deze punten van zijn verklaringen al benoemd bij zijn eerste verhoor bij de politie (op 27 april 2025, ruim een dag na de brand) en niet pas desgevraagd bij de rechter-commissaris. Die verklaring moet dan ook zijn gebaseerd op een ‘verse’ herinnering, die op dat moment nog niet is gekleurd door wat de getuige wellicht uit (latere) nieuwsberichten heeft vernomen. Met name het element dat hij de verdachte zag bukken om (vermoedelijk) iets, mogelijk een steen, te pakken past bij het scenario dat de verdachte de brand heeft gesticht. Uit het onderzoek is gebleken dat de ruit inderdaad lijkt te zijn ingegooid met een in de slaapkamer aangetroffen steen en dat er in de buurt een stapel soortgelijke stenen lag (p. 256 en 262-265).
De verklaring van de taxichauffeur wordt daarnaast door meerdere bewijsmiddelen in het dossier ondersteund, onder andere door de reisbewegingen van de taxi aan de hand van ANPR-gegevens en de reisbewegingen aan de hand van telefoongegevens. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de taxichauffeur en acht zij deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Achterliggend conflict (motief) en dreigementen
Daarnaast ziet de rechtbank een sterke aanwijzing in het lopend conflict over betaling van de huur tussen de aangevers en de verdachte, waarbij door de verdachte meerdere bedreigingen zijn geuit, in berichten, telefonisch en in persoon. Terwijl de verdachte tijdens meerdere politieverhoren had ontkend gebruik te hebben gemaakt van de telefoon waarmee de bedreigende berichten waren gestuurd, heeft de verdachte deze bedreigingen ter zitting bekend. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte enkele uren vóór de brand, midden in de nacht, nog meermaals heeft gebeld met zowel de bewoners, als de moeder van een van de bewoners, tegen wie hij heeft gedreigd: ‘zeg tegen jouw dochter dat ze weg moet uit mijn huis anders ga ik iets slechts doen’.
Brandstichting en gevaarzetting
Uit het technisch onderzoek volgt dat de brand met motorbenzine is aangestoken, dat de situatie ter plaatse levensgevaarlijk was en dat de schade aan goederen groot was. De aangevers hadden het geluk dat zij op dat moment, in plaats van in de slaapkamer waar de brand was gesticht, in de woonkamer sliepen. De gehele inboedel in de slaapkamer is door de brand verloren gegaan. Ook was er gevaar voor de bewoners van naastgelegen huizen, die hun woningen hebben moeten verlaten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte brand heeft gesticht waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 26 april 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door een brandend voorwerp met gebruik van brandversnellers door een raam in de slaapkamer te gooien ten gevolge waarvan een bed en de inboedel en andere in de slaapkamer aanwezige goederen geheel zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in die woning aanwezig zijnde goederen en de omliggende woningen en de in die omliggende woningen aanwezig zijnde goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2], en aanwezigen in de omliggende woningen
te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod en het meewerken aan middelencontrole. Tevens heeft de officier de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen van ten hoogste 30 maanden, waarvan minstens 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft brand gesticht in zijn woning die werd verhuurd. De verdachte kende de indeling van de woning en heeft ervoor gekozen om een steen door het slaapkamerraam van de bewoners te gooien en de slaapkamer met benzine in brand te steken. De bewoners waren deze betreffende nacht in de woonkamer in slaap gevallen, een gelukkige omstandigheid die hen mogelijk het leven heeft gered. Dat de bewoners – of omwonenden – hierbij niet zijn omgekomen of zwaargewond zijn geraakt, is in het geheel niet aan de verdachte te danken.
Er was een conflict gaande tussen de verdachte en de bewoners en de verdachte had al eerder dreigementen aan hen geuit. Dit conflict lijkt het motief te zijn geweest voor de brandstichting.
De verdachte heeft zijn handelen aangekondigd en heeft benzine in een drankpak gedaan. Hij heeft dus planmatig gehandeld. Dergelijk handelen heeft naar het oordeel van de rechtbank veel weg van een poging om de bewoners van het leven te beroven, hoewel dit niet ten laste is gelegd. Zo hebben de bewoners het ook ervaren.
Hij is na de brandstichting weggevlucht zonder zich te bekommeren om de mogelijke gevolgen voor de bewoners of andere buurtbewoners.
Daar komt bij dat de verdachte ook achteraf geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen en zelfs (zowel bij de politie als op de zitting) de bewoners zelf de brandstichting in de schoenen heeft willen schuiven.
De rechtbank rekent dit de verdachte aan. De impact van het incident is middels de slachtofferverklaringen indringend verwoord. Zo voelen zij zich tot op heden angstig en bedreigd.
De verdachte heeft met zijn wraakzuchtige en niet invoelbare handelen onaanvaardbare risico’s genomen en levens op het spel gezet. Daarnaast is de inboedel in de slaapkamer van de bewoners volledig afgebrand.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het stichten van een woningbrand kennelijk een geschikte manier vond om een conflict op te lossen en dat hij zich daarbij geenszins om anderen heeft bekommerd. Brandstichting is een ernstig en (levens)gevaarlijk delict en is in zijn algemeenheid zeer verontrustend voor de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2025. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 juli 2025, waaruit blijkt dat sprake is van problematiek rondom middelengebruik en psychosociaal functioneren, alsmede van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod en middelencontrole als bijzondere voorwaarden, en adviseert tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden en het toezicht van de reclassering
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken. Daaruit blijkt dat in de regel gevangenisstraffen van aanzienlijke duur worden opgelegd, met name bij brandstichtingen in of bij een woning waarbij levensgevaar te duchten is zoals in de onderhavige zaak.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Die onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelijk aan de straf die door de officier van justitie is geëist, maar de rechtbank ziet aanleiding om een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de bewoners en omwonenden. Uit het reclasseringsadvies komt naar voren dat de kans dat de verdachte opnieuw een misdrijf pleegt met schade voor personen aanwezig is. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 24.720,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.000,- aan materiële schade en € 14.720,- aan immateriële schade.
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 520.700,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.000,- aan materiële schade en € 510.700,- aan (toekomstige) immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 16.420,- en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 11.070,- en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige. Daarnaast is verzocht om de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade gevorderd door beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat deze dient te worden gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt dat de gestelde materiële schade onvoldoende is onderbouwd. Met name valt op dat de kostbare goederen die worden opgevoerd (waaronder contant geld en juwelen) nooit aan de politie zijn gemeld. Wel vindt de rechtbank het aannemelijk is dat er sprake is van materiële schade. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De rechtbank stelt de schade vast op € 1.500,-. De rechtbank zal de vordering voor het overige wegens een gebrek aan onderbouwing niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Op grond van het dossier, het onderzoek ter terechtzitting en de aard van de normschending kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij werd in haar slaap verrast door een brand en heeft haar woning moeten verlaten. De inhoud van de slaapkamer is grotendeels verloren gegaan. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van psychisch letsel dat een aantasting van de persoon op andere wijze oplevert.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.500,-. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit € 1.500,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 1].
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Materiële en immateriële schade
Aan de benadeelde partij zal eveneens € 1.500,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade worden toegekend. Dit met dezelfde motivering als hiervoor.
Inkomensderving en toekomstige schade
Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat deze schade is gevorderd met het oog op een eventueel hoger beroep. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit € 1.500,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 2].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
1 (EEN) JAAR,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte:
1.
meldplicht
zich zal melden op afspraken met GGZ reclassering Fivoor, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2.
ambulante behandeling
zich zal laten behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3.
contactverbod
zich zal onthouden van iedere vorm van - direct of indirect - contact met:
  • [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2] 1998, en
  • [benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 3] 1997,
4.
meewerken aan middelencontrole
zal meewerken mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan GGZ-reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
  • een bedrag van € 5.000,- aan [benadeelde 1], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
  • een bedrag van € 5.000,- aan [benadeelde 2], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregelen
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:
  • een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1];
  • een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk 50 dagen ([benadeelde 1]) en 50 dagen ([benadeelde 2]), waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond en mr. F. Aksu, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 26 april 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht door een brandend voorwerp met gebruik van brandversnellers door een raam in de slaapkamer te gooien ten gevolge waarvan een bed en/of de inboedel en/of andere in de slaapkamer aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/gesmolten, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of de in die woning aanwezig zijnde goederen en/of de aangrenzende/omliggende woningen en/of de in die aangrenzende/omliggende woningen aanwezig zijnde goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde 1], [benadeelde 2] en/of aanwezigen in de aangrenzende/omliggende woningen te duchten was.