Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 19 september 2024 en had een beslistermijn van zes maanden, maar heeft binnen deze termijn geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 14 januari 2026 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het overschrijden van deze termijn.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 26 maart 2026.