Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
697687
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering Maatschap tegen gemeente over pachtselectie landbouwgrond

De Maatschap vordert dat de gemeente Teylingen de pacht van landbouwpercelen toewijst conform een eerdere gunningsbeslissing of een nieuwe, rechtmatige selectieprocedure. De gemeente had de voorlopige gunning ingetrokken wegens niet voldoen aan de Didam-arresten en een nieuwe selectieprocedure georganiseerd.

De rechtbank oordeelt dat de Maatschap haar recht om bezwaar te maken tegen de intrekking van de gunning heeft verwerkt door niet tijdig een kort geding te starten en mee te doen aan de nieuwe procedure. Hierdoor kan zij nakoming van de oorspronkelijke gunning niet afdwingen.

Ten aanzien van de nieuwe selectieprocedure stelt de Maatschap dat het criterium 'eigen toelichting' onvoldoende objectief en controleerbaar is. De rechtbank oordeelt dat de gemeente dit criterium binnen haar beleidsvrijheid redelijk heeft gehanteerd en voldoende inzicht heeft gegeven in de motivering. De beoordeling van de eigen toelichting is niet onbegrijpelijk of onjuist.

De vorderingen worden afgewezen en de Maatschap wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Maatschap af en bevestigt dat de gemeente de selectieprocedure rechtmatig heeft uitgevoerd.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697687 / KG ZA 26/35
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van

1.Maatschap [eiser 1] te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),

2. [eiser 2]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
3. [eiser 3]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] )
eisers,
advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,
tegen:
Gemeente Teylingente Sassenheim (gemeente Teylingen),
gedaagde,
advocaten mr. R.C. Geurtsen en mr. H.J. Doelman te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Maatschap’ en ‘de Gemeente’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;
- de door de Gemeente overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;
- de door de Maatschap overgelegde productie 11.
- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Maatschap pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Gemeente is eigenaar van diverse pachtgronden in de gemeente Warmond en Voorhout, waaronder de landbouwpercelen kadastraal bekend gemeente Voorhout, [kadastraal nummer] (hierna ook: de [adres] ). Deze percelen worden al geruime tijd door de Maatschap gepacht ten behoeve van hun extensieve melkveehouderijbedrijf. De pachtovereenkomsten voor deze gronden liepen af op 31 december 2024.
2.2.
In verband met de uitgifte van de nieuwe pachtovereenkomsten voor o.a. de [adres] heeft de Gemeente in oktober 2024 een openbare selectieprocedure georganiseerd, waarbij kon worden ingeschreven op vijf verschillende clusters (hierna: Selectieprocedure I). De Maatschap heeft zich ingeschreven op twee van deze clusters, waaronder de [adres] .
2.3.
Bij brief van 29 januari 2025 is door de rentmeester aan de Maatschap kenbaar gemaakt dat aan haar de pacht van cluster [adres] wordt toegekend. Daarbij is het volgende opgemerkt:
“Vanwege de termijn waarbinnen andere inschrijvers de mogelijkheid hebben om beroep/bezwaar aan te tekenen, zal aan u na week 9 (vanaf 24 februari 2025) gecommuniceerd worden of de gunning definitief is of dat er een beroep/bezwarenprocedure gevolgd moet worden. In het eerste geval kunt u de pachtovereenkomst na week 9 ter ondertekening tegemoet zien.”
2.4.
Bij brief van 11 februari 2025 heeft de Gemeente de Maatschap laten weten dat zij de voorlopige gunningsbeslissing intrekt, omdat – kort gezegd – de openbare selectieprocedure niet (volledig) voldeed aan de eisen uit het Didam-arrest en herstel van de procedure niet mogelijk is.
2.5.
De Maatschap heeft op 18 februari 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing.
2.6.
Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Gemeente de Maatschap bij brief van 27 maart 2025 laten weten dat zij haar standpunt om de voorlopige gunning in te trekken handhaaft en een nieuwe procedure zal opstarten. In de brief staat dat indien de Maatschap zich hier niet mee kan verenigen, zij, op straffe van verval van recht, binnen 10 werkdagen een kort geding procedure aanhangig moet maken.
2.7.
In afwachting van de uitkomst van een nieuw te organiseren selectieprocedure heeft de Gemeente met de zittende pachters, waaronder de Maatschap, bruikleenovereenkomsten gesloten met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.
2.8.
Op 11 september 2025 heeft de Gemeente het concept van de inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe selectieprocedure en de Tabel met (natuur inclusieve) maatregelen gedeeld met de inschrijvers van Selectieprocedure I, de pachters die in 2024 een pachtovereenkomst hadden gesloten met de Gemeente en alle (overige) boeren die actief zijn binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens hebben er ‘keukentafelgesprekken’ plaatsgevonden en is er op 24 september 2025 een informatieavond georganiseerd.
2.9.
Op 3 november 2025 heeft de Gemeente de definitieve inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe openbare selectieprocedure (hierna: Selectieprocedure II) op haar website gepubliceerd. Daarin is onder het kopje ‘beleid toewijzing pachtgronden’ toegelicht dat de inschrijver met de meeste punten op een perceel het pachtcluster krijgt toegewezen. Gegadigden kunnen op drie manieren punten verdienen:
1. Door zich te committeren aan natuur inclusieve maatregelen, zoals het gebruik van
vaste mest en een uitgestelde maaidatum;
2. Door de reisafstand tot het pachtperceel; en
3. Door middel van toewijzing op basis van een eigen toelichting.
Over de beoordeling van de eigen toelichting als bedoeld onder 3. is in de inschrijfvoorwaarden het volgende opgenomen:
“3. Beoordelingscommissie
De eigen toelichting van de inschrijver wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie,
bestaande uit de volgende expertises: Landbouw, ecologie, overheid, rentmeester (als
secretaris). (hierna: ‘de Beoordelingscommissie’). Voor dit onderdeel worden maximaal 20
punten toegekend.
In de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’ is beschreven dat
de Gemeente waar nodig stimuleert onderdeel te zijn van de verbrede landbouw. De
verbrede landbouw is een vorm van landbouwbedrijfsvoering waarin nevenactiviteiten een
grote rol spelen. Deze activiteiten worden in vier groepen verdeeld:
- Groene diensten met betrekking tot milieu-, natuur- en landschapsbeheer;
- Blauwe diensten met betrekking tot waterbeheer;
- Diensten gericht op cohesie en vitaliteit op het platteland (zoals bijv. educatie,
recreatie, zorg, aanbod van opslagruimte en arbeid buiten het bedrijf); en
- Diensten gericht op een rendabele, goede en voldoende voedselproductie
(waaronder ook begrepen de ontwikkeling van streekproducten, voedselverwerking
en verkoop aan huis).
De inschrijver zet in zijn eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen op welke wijze zijn
bedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw als hiervoor beschreven. De inschrijver
hoeft daarbij niet in te gaan op alle hiervoor beschreven diensten. De inschrijver richt zich
alleen op de diensten waarop hij naar eigen inzicht een bijdrage levert. Het toe te kennen
aantal punten is niet afhankelijk van het aantal diensten dat wordt genoemd, maar van de
kwaliteit van de benoemde bijdragen en de mate waarin de bijdragen van de bedrijfsvoering
overtuigend zijn onderbouwd en het maatschappelijke effect van de bijdragen. Ter illustratie:
een dienst met een grote maatschappelijke impact krijgt meer punten dan een dienst die
primair een economische meeropbrengst heeft (zoals bijv. de ontwikkeling van
streekproducten of verkoop aan huis).”
Het aantal te behalen punten is afhankelijk van de mate waarin de inschrijver volgens de beoordelingscommissie een inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van zijn/haar bijdrage aan de verbrede landbouw. Daarbij wordt gekeken naar in hoeverre de beschrijving specifiek, meetbaar, realistisch en uitvoerbaar is.
2.10.
Over de beoordeling van de eigen toelichting (onderdeel 3.) is na publicatie van de (concept) inschrijfvoorwaarden één vraag gesteld, te weten hoeveel punten er bij dat onderdeel te verdelen zijn.
2.11.
De Maatschap heeft zich inschreven voor twee van de zes clusters (cluster 5 en cluster 6 (de [adres] )). In haar eigen toelichting heeft zij het volgende opgeschreven:
“Hierbij een korte beschrijving van onze boerderij.
Wij hebben een boerderij met melkkoeien aan het einde van de Menneweg.
Het grootste deel van het weiland ligt in de Kooipolder in Warmond en de Floris Schoutenpolder in Sassenheim.
Mijn opa is hier begonnen omstreeks 1925. Mijn vader en twee broers hebben de boerderij in twee afzonderlijke boerderijen voortgezet. En wij hebben het weer van onze vader overgenomen.
Wij hebben een extensief melkveehouderijbedrijf.
Dit willen we graag zo houden. Maar daarvoor moeten we wel voldoende hectares weiland hebben.
Dit is in de huidige situatie geen probleem.
Echter, wanneer wij de 3,2 ha. weiland kwijt raken die we nu al jaren pachten van de gemeente
Teylingen dan worden we minder extensief.
Bovendien kunnen we ook de 2,5 hectare weiland van [naam 1] niet langer gebruiken, omdat hier gebouwd wordt.
Het extensieve karakter van ons bedrijf komt in gevaar wanner we ook de 3,2 ha kwijt raken.
Een aantal unieke punten van onze boerderij:
Ons vee wordt dag en nacht geweid. De mensen zien graag het vee buiten lopen.
We krijgen daar positieve reacties op.
We hebben sterke koeien van het zelf gekruiste ras MRIJ en FH.
In de Kooipolder in Warmond hebben we op een dijk aan de Kagerplassen een natuurvriendelijke oever van ongeveer 500 meter lang en 6 meter breed.
Het bedrijf is extensief.
Om de levensvatbaarheid van onze boerderij in stand te houden voor de beoogd opvolger hebben wij voldoende land nodig”
2.12.
De Gemeente heeft op 12 december 2025 de voorlopige uitslag van de gunning bekend gemaakt. Daarbij is aan de Maatschap meegedeeld dat geen van de clusters waarvoor zij zich had ingeschreven aan haar is gegund, omdat zij op beide clusters minder punten heeft behaald dan de winnende inschrijver. In het verslag van de beoordelingscommissie is over de inschrijvingen op cluster 6 het volgende vermeld (de Maatschap is Inschrijver 3, de winnende inschrijver is Inschrijver 8, (hierna: [naam 2] )):
“Voor cluster 6 zijn vier inschrijvingen.
Inschrijver 3- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.
Uit hun eigen toelichting blijkt dat het een extensief bedrijf betreft die aan de Eco-regeling zilver voldoet. De historie van het bedrijf en rol in de lokale gemeenschap wordt meegewogen.
Er worden 10 punten toegekend.
Inschrijver 4- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.
In de eigen toelichting scoort dit bedrijf goed op veel punten, met name op verduurzaming, natuur, weidegang en lokale verkoop van producten.
Er worden 20 punten toegekend.
Inschrijver 5- Geen opmerkingen op de tabel.
Uit de eigen toelichting blijkt een inzet op efficiëntie, innovatie en weidegang. Ook draagt het
bedrijf bij aan recreatie- en cultuurhistorische doelstellingen van de gemeente.
Er worden 10 punten toegekend.
Inschrijver 8- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.
Uit de eigen toelichting blijkt dat het een bedrijf is dat hoog scoort op duurzaamheid, aandacht
voor jonge boeren, innovatie en efficiëntie.
Er worden 20 punten toegekend.”
2.13.
Op 17 februari 2026 heeft de beoordelingscommissie in verband met dit kort geding de gunning van cluster 6 nader toegelicht. Daarbij is over de eigen toelichting van de Maatschap onder andere nog het volgende gezegd:
“ Een groot deel van de toelichting gaat in op het belang van het bedrijf om de grond in gebruik te krijgen. Dit is van toepassing op ieder bedrijf en daarom geeft dit geen extra punten voor de beoordeling. Ook het gegeven dat het bedrijf andere pachtgrond kwijtraakt, biedt geen basis om extra punten toe te kennen in de beoordeling.
De inschrijver levert een inhoudelijke bijdrage aan de verbrede landbouw, maar enkel op het
gebied van duurzame landbouw en (heel beperkt) natuur en biodiversiteit. In de toelichting is niet, of althans beperkt, ingegaan op de maatschappelijke bijdrage van de inschrijver.
De beoordelingscommissie is daarom van oordeel dat de inschrijver een voldoende, inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van de bijdrage aan verbrede landbouw. De beoordelingscommissie kent daarom 50% van de te behalen punten toe.”

3.Het geschil

3.1.
De Maatschap vordert – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter de Gemeente
primair:
I. veroordeelt om de percelen [kadastraal nummer] met ingang van 1 januari 2026 voor de duur van zes jaar aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht uit te geven voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de door de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;
subsidiair:
II. indien de percelen [kadastraal nummer] door de Gemeente in pacht wordt/worden uitgegeven, veroordeelt om deze percelen alsdan met ingang van 1 januari 2026 aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht tot 1 januari 2032 aan te bieden voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;
meest subsidiair:
III. verbiedt om de percelen [kadastraal nummer] in pacht uit te geven zonder daaraan voorafgaand opnieuw een openbare selectieprocedure te hebben doorlopen die in overeenstemming is met de regels uit de Didam-arresten en overigens in overeenstemming met de uitkomsten van die selectieprocedure alsmede om de Gemeente te gelasten tot dat moment de met de Maatschap bestaande bruikleenovereenkomst met betrekking tot genoemde percelen te continueren;
IV. indien wordt geoordeeld dat de door de Gemeente gehanteerde gunningscriteria voldoende redelijk, objectief en controleerbaar zijn, doch daaruit een ongelijke waardering van de eigen toelichtingen van [naam 2] en de Maatschap niet kan worden afgeleid, veroordeelt om de uitgifte van de percelen in geliberaliseerde pacht aan hetzij [naam 2] , hetzij de Maatschap ten overstaan van een notaris te doen bepalen door het lot.
In alle gevallen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de Maatschap ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering– samengevat – het volgende aan. De gunning die het resultaat was van Selectieprocedure I kon niet door de Gemeente worden ingetrokken. In de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is enkel een voorbehoud gemaakt voor het geval dat de uitkomsten van door andere inschrijvers te initiëren bezwaar/beroepsprocedures aanleiding geven om de gunning in te trekken. Die situatie heeft zich niet voorgedaan. Andere inschrijvers hebben immers geen bezwaar- of beroep aangetekend tegen de gunning van de [adres] aan de Maatschap. De Maatschap heeft dan ook terecht geprotesteerd tegen de intrekking van de gunning. Daar komt bij dat juist vanwege het ontbreken van een concurrerende inschrijving of gegadigde, volgens de Maatschap niet valt in te zien waarom de Gemeente op basis van de zogenoemde Didam-regels gehouden was om voor de [adres] opnieuw een openbare selectieprocedure te doorlopen.
3.3.
Ter onderbouwing van de meest subsidiaire vordering stelt de Maatschap dat de selectiecriteria van Selectieprocedure II niet voldoen aan de eisen van objectiviteit, redelijkheid en controleerbaarheid als bedoeld in de Didam-arresten [1] . Volgens de Maatschap is het derde gunningscriterium de ‘eigen toelichting’ onredelijk, onvoldoende objectief en onvoldoende controleerbaar. In de inschrijfvoorwaarden zijn geen objectieve criteria benoemd op basis waarvan de eigen toelichting verifieerbaar kan worden gewogen. Zo is niet duidelijk welke rol het criterium van ‘verbrede landbouw’ vervult – of welk gewicht daaraan wordt toegekend – bij de uitvoering van de in de uitwerking van het derde gunningcriterium benoemden diensten. Dat klemt te meer omdat het gaat om de gronduitgifte van een weiland in pacht, hetgeen per definitie impliceert dat sprake moet zijn landbouwactiviteiten. De in de uitwerking door de Gemeente als voorbeeld genoemde diensten die gericht zijn op cohesie en vitaliteit op het platteland zijn evenwel alle niet-landbouwactiviteiten. Die diensten zouden dan ook niet bij de waardering voor de uitgifte in pacht betrokken mogen worden, althans daaraan moet minder gewicht worden toegekend dan aan diensten die op zichzelf niet op gespannen voet staan met een bedrijfsmatige landbouwexploitatie. Mede gelet hierop is voor de Maatschap – en eenieder ander – niet duidelijk waarom aan de eigen toelichting van [naam 2] een hogere waardering is toegekend dan aan de eigen toelichting van de Maatschap. In dat verband merkt zij op dat inpachtgeving van de percelen aan de Maatschap duidelijk bijdraagt aan de verbetering van een zogenoemde groene dienst, terwijl uit niets blijkt dat inpachtgeving van de percelen aan [naam 2] bijdraagt aan de verbrede landbouwactiviteiten die hij in zijn eigen toelichting heeft omschreven. Een en ander brengt volgens de Maatschap mee dat de wijze waarop de Gemeente Selectieprocedure II heeft gevoerd leidt tot willekeur en daarom onrechtmatig is.
3.4.
De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Selectieprocedure I
4.1.
Met haar primaire en subsidiaire vordering beoogt de Maatschap nakoming van de (voorlopige) gunningingsbeslissing van 29 januari 2025. Daarbij stelt zij de intrekking van die beslissing door de Gemeente ter discussie. De voorzieningenrechter zal eerst deze op (de uitkomst van) Selectieprocedure I betrekking hebbende vorderingen beoordelen.
4.2.
Het meest verstrekkende verweer dat de Gemeente aanvoert is dat de Maatschap haar rechten om te klagen over de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 heeft verwerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beroep op rechtsverwerking slaagt.
4.3.
Niet in geschil is dat de Maatschap tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025. De Gemeente heeft in haar brief van 27 maart 2025 al aan de Maatschap laten weten dat dit bezwaar voor haar geen aanleiding geeft om het standpunt de intrekking te herzien. In die brief staat ook dat de Maatschap, op straffe van verval van recht, een kort geding moet starten als zij zich niet met de beslissing van de Gemeente kan verenigen. De Maatschap heeft dat toen, om onbekende reden, niet gedaan. Vervolgens is de Gemeente gestart met (de voorbereidingen van) Selectieprocedure II, met alle kosten van dien. De Maatschap heeft meegedaan aan die nieuwe selectieprocedure en heeft zich zonder enig gebleken voorbehoud ingeschreven op twee van de zes clusters. Zij had toen ook al met de Gemeente een bruikleenovereenkomst gesloten voor het gebruik van de [adres] in de periode 1 januari 2025 tot 31 december 2025. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente aan deze gang van zaken, waarbij de Maatschap tot aan deze procedure kennelijk geen enkele keer haar bezwaar opnieuw onder de aandacht heeft gebracht, het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de Maatschap zich bij de intrekking had neergelegd. Om die reden kan de Maatschap de rechtsgeldigheid van de intrekking van de gunningsbeslissing nu niet meer in rechte aanvechten. Dat – voor zover al juist – de Gemeente nog in staat is om in overeenstemming met de gunningingsbeslissing van 29 januari 2025 een geliberaliseerde pachtovereenkomst met de Maatschap aan te gaan voor de [adres] , maakt dat niet anders.
4.4.
Nu gelet op het voorgaande tussen partijen heeft te geleden dat de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is ingetrokken, kan de Maatschap daarvan geen nakoming vorderen. De primaire en subsidiaire vordering moeten daarom worden afgewezen.
Selectieprocedure II
4.5.
De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de meest subsidiaire vordering. Ter onderbouwing van die vordering stelt in de Maatschap zich in de op het standpunt dat het selectiecriterium ‘eigen toelichting’, niet voldoet aan de eisen die daaraan gelet op de Didam-arresten moeten worden gesteld. Gelet op de mogelijkheden die de Maatschap voorafgaand aan de inschrijving heeft gehad om dit bezwaar tegen het selectiecriterium aan de orde te stellen, althans daarover vragen te stellen, acht de voorzieningenrechter het door de Gemeente gevoerde verweer dat de Maatschap haar recht om daarover te klagen heeft verwerkt goed verdedigbaar. Maar ook als aan dat verweer voorbij wordt gegaan, kan het door de Maatschap gestelde niet leiden tot toewijzing van haar vordering, zo volgt uit het hiernavolgende.
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente bij de verpachtingen van de [adres] de door de Hoge Raad in de Didam-arresten geformuleerde regels in acht moet nemen. Dit betekent, kort gezegd, dat de Gemeente gelegenheid moet bieden aan alle potentiële gegadigden om mee te dingen naar de pacht van de [adres] . De Gemeente dient daartoe objectieve, toetsbare en redelijke criteria op te stellen aan de hand waarvan een pachter kan worden geselecteerd. Een selectieprocedure kan achterwege worden gelaten als slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de pachtovereenkomst.
4.7.
Voor zover de Maatschap meent dat zij in dit geval de enige serieuze gegadigde was voor de pacht van de [adres] en de Gemeente Selectieprocedure II daarom achterwege had moeten laten, volgt de voorzieningenrechter haar daarin niet. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt baseert de Maatschap dit op het feit dat geen andere, concurrerende, inschrijvers bezwaar en beroep hebben aangetekend tegen de gunningsbeslissing van 29 januari 2025, waarbij de [adres] (voorlopig) aan de Maatschap was gegund. Daarmee is echter nog niet gezegd dat op voorhand al vaststond dat die andere inschrijvers niet als serieuze gegadigden voor de pacht van de [adres] konden worden aangemerkt. Dat die conclusie niet gerechtvaardigd is, wordt bevestigd door de uitkomst van Selectieprocedure II.
4.8.
De regel dat de selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk dienen te zijn, betekent niet dat een overheidslichaam alleen mag selecteren op basis van selectiecriteria die zuiver objectief zijn, denk aan hoogste prijs, volgorde van binnenkomst of loting. Een overheidslichaam komt de vrijheid toe kwaliteitscriteria te hanteren die op een meer subjectieve wijze beoordeeld worden in het kader van een vergelijking van de verschillende inschrijvingen. Vanzelfsprekend is inherent aan het gebruik van dergelijke criteria dat de uitkomst van de procedure minder voorspelbaar wordt, en dat bergt het risico op (schijn van) favoritisme, willekeur of ongelijkheid in zich. Bij het hanteren van dergelijke criteria zal het overheidslichaam daarom voldoende inzichtelijk moeten maken waarop zij haar uiteindelijke keuze baseert en wel aan de hand van de geformuleerde wensen die aan de inschrijvers op voorhand bekend zijn gemaakt als relevant voor de beoordeling.
4.9.
In dit geval heeft de Gemeente een selectiecriterium opgesteld dat van de inschrijvers vraagt om in een eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen te zetten op welke wijze hun bedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de door haar in de Omgevingsvisie geformuleerde beleidsdoelstellingen. De Gemeente heeft dit selectiecriterium naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen hanteren zonder het stimuleren van verbrede landbouw nadrukkelijk te koppelen aan de vraag of dit de toekomstbestendigheid van het bedrijf van de inschrijver zelf ten goede komt. Anders gezegd: de Gemeente mocht gelet op de haar toekomende beleidsvrijheid het selectiecriterium vormgeven op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.
De beoordeling van de uiteenzetting van de inschrijver over de bijdrage aan de verbrede landbouw draagt, als hiervoor gezegd, een zekere mate van subjectiviteit in zich: de beoordelingscommissie ‘waardeert’ immers de beschrijving c.q. argumenten van de inschrijver. De Gemeente is daarom gehouden te beoordelen op basis van punten waarvan vooraf voldoende bekend was dat deze relevant waren voor de beoordeling van de eigen toelichting en zal voldoende inzicht moeten gegeven in de relevante redenen die aan de puntentoekenning voor de eigen toelichting van de inschrijvers ten grondslag liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Gemeente zich hiervan kennelijk bewust geweest en heeft de Maatschap in ieder geval niet geconcretiseerd dat en waarom de Gemeente in redelijkheid niet tot de weging heeft kunnen komen die heeft geleid tot de door de Maatschap bestreden uitkomst.
4.10.
Uit de toelichting op de puntensystematiek volgt genoegzaam dat het bij de beoordeling van de eigen toelichting gaat om de wijze waarop en de mate waarin het bedrijf van de inschrijver door het verrichten van nevenactiviteiten/-diensten bijdraagt aan de verbrede landbouw. Duidelijk is gemaakt dat de Gemeente daarbij niet zozeer waarde hecht aan kwantiteit, maar veel meer aan de kwaliteit en de maatschappelijke impact die de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver hebben. Dat betekent, zo is uitgelegd, dat activiteiten met een grote maatschappelijk impact hoger wordt gewaardeerd. Uit de toelichting blijkt niet dat ook een onderscheid in waardering/weging wordt gemaakt tussen de in de toelichting genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten. Daarnaast blijkt niet dat de mate waarin een activiteit te maken heeft met de uitoefening van landbouw voor het toe te kennen aantal punten van belang is. Anders dan de Maatschap kennelijk meent, stond het de Gemeente gelet op de aan haar toekomende beleidsvrijheid vrij om die keuzes te maken.
4.11.
Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat de motivering van de gunningsbeslissing gebrekkig is. Zelfs als juist is dat de Maatschap, zoals zij stelt, gelet op haar extensieve bedrijfsvoering en haar zilveren eco-regeling hoger scoort op het voor de landbouw relevante criterium van ‘groene diensten’ dan [naam 2] , betekent dat niet dat de beoordelingscommissie ten onrechte meer punten heeft toegekend aan de eigen toelichting van [naam 2] . Op basis van de aan de inschrijvers verstrekte informatie geldt dat niet de aard van de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver, maar het maatschappelijk effect daarvan bepalend is voor de waardering. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat het bedrijf van [naam 2] hoog scoort op duurzaamheid, aandacht voor jonge boeren, innovatie en efficiëntie. De Maatschap heeft niet weersproken dat deze bijdragen een hoger en breder maatschappelijk effect hebben dan de als positief beoordeelde bijdragen van de Maatschap aan verbrede landbouw (eco-regeling zilver, historie van het bedrijf en de rol in de lokale gemeenschap). De stellingen van de Maatschap komen erop neer dat zij meent dat de beoordelingscommissie bij de toetsing van de eigen toelichting ten onrechte niet heeft gekeken of en in hoeverre de inpachtgeving van de percelen aan de betreffende inschrijver bijdraagt aan diens in de eigen toelichting beschreven verbrede landbouwactiviteiten. In dit verband wijst zij erop dat het landbouwbedrijf van [naam 2] een intensief veehouderijbedrijf is. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat de eventuele inpachtgeving totaal niet bijdraagt aan een duurzame bedrijfsvoering of een positieve impact heeft op de natuur. Daar staat tegenover dat de uitgifte in pacht van de percelen aan de Maatschap wel duidelijk bijdraagt aan een verbetering van een zogenoemde groene dienst, omdat zij daardoor haar extensieve bedrijfsvoering kan worden behouden. De Maatschap legt daarmee aldus een verband tussen het gebruik van de in pacht uit te geven landbouwpercelen en de verbrede landbouwactiviteiten die de inschrijver in zijn eigen verklaring heeft omschreven. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Maatschap hiermee miskent dat de eigen toelichting niet enkel ziet op hoe het gepachte gaat worden gebruikt, maar op de bijdrage van het bedrijf van de inschrijver aan verbrede landbouw in het algemeen.
4.12.
De Maatschap heeft er verder nog op gewezen dat de beoordelingscommissie het belang van de het voorgezette gebruik van de landbouwpercelen voor haar bedrijfsvoering terzijde heeft geschoven omdat dit voor alle inschrijvers zou gelden, terwijl de commissie wel punten heeft toegekend aan aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] die in haar ogen evenmin onderscheidend zijn. Volgens de toelichting op de puntensystematiek is echter niet relevant dat een inschrijver zich met het verrichten van nevenactiviteiten onderscheid van andere inschrijvers. Het gaat erom of die nevenactiviteiten een bijdrage leveren aan verbrede landbouw. Het is gelet op de genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten/diensten niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie de door de Maatschap in haar pleitnota genoemde aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] positief heeft gewaardeerd. Niet gesteld of gebleken is dat de beoordelingscommissie voor soortgelijke aspecten bij andere inschrijvers geen punten heeft toegekend als deze in de eigen toelichting waren opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de (nadere) toelichting op de score van de Maatschap blijkt dat de commissie in ieder geval de duurzame landbouwactiviteiten (al dan niet in het kader van de Eco-regeling) van de Maatschap ook als positief heeft beoordeeld. Terecht heeft de Gemeente opgemerkt dat de beoordelingscommissie niet kan beoordelen wat niet in opgeschreven. Niet in geschil is dat de eigen toelichting van [naam 2] uitvoeriger en gedetailleerder is dan die van de Maatschap.
4.13.
De voorzieningenrechter volgt de Maatschap tot slot ook niet in haar stelling dat het gezien de eigen toelichting van [naam 2] en de toetsing daarvan door de beoordelingscommissie lijkt alsof het aantal genoemde diensten doorslaggevend is voor de puntentoekenning. Als gezegd gaat het om de bijdrage die het bedrijf van de inschrijver levert aan verbrede landbouw. Als in de eigen toelichting is opgeschreven dat die bijdrage bestaat uit meerdere activiteiten die in de ogen van de beoordelingscommissie overtuigend zijn onderbouwd ligt het voor de hand dat dit leidt tot een hogere score. Dat betekent niet dat de beoordelingscommissie de in de toelichting op de puntensystematiek genoemde uitgangspunten bij de selectie heeft losgelaten.
4.14.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat (de beoordeling van) het selectiecriterium ‘eigen toelichting’ niet voldoet aan de Didam-regels en evenmin dat de beoordeling van de eigen toelichting van de Maatschap onjuist of onbegrijpelijk is. Dit betekent dat de Gemeente de selectieprocedure niet opnieuw hoeft te doen en dat er ook geen grond bestaat voor de gevorderde notariële loting.
4.15.
De Maatschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de maatschap af;
5.2.
veroordeelt de Maatschap in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Maatschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Maatschap € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt de Maatschap in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
EI

Voetnoten

1.HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam I) en HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661 (Didam II)