ECLI:NL:RBDHA:2026:6877
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verzoek opheffen inreisverbod wegens belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om opheffing van een inreisverbod dat hem op 22 november 2013 voor vijf jaar is opgelegd. De minister wees het verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor opheffing, waaronder het niet aantonen van minimaal vijf jaar verblijf buiten Nederland en de EU, en het ontbreken van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat hij een privéleven in Nederland heeft opgebouwd en dat het inreisverbod een inbreuk maakt op zijn familieleven en privéleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod niet kon worden opgeheven op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De minister heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat het criminele gedrag van eiser zijn sociale en culturele binding met Nederland ernstig heeft aangetast, en dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot opheffing. De rechtbank oordeelt dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd en dat het inreisverbod terecht is opgelegd en gehandhaafd vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de samenleving.
Het beroep wordt gegrond verklaard wegens het motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het inreisverbod blijven in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het inreisverbod blijven in stand.