ECLI:NL:RBDHA:2026:689

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.45551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van ongeloofwaardige seksuele geaardheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 6 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser behandeld. Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, heeft een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, waarin hij stelt homoseksueel te zijn en vreest voor vervolging bij terugkeer naar Nigeria. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, omdat hij de seksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig achtte. De rechtbank oordeelt dat de minister de eerdere afwijzing van de eerste asielaanvraag, waarin de seksuele geaardheid ook al ongeloofwaardig werd geacht, terecht heeft betrokken in zijn beoordeling. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om zijn huidige claims te onderbouwen, ondanks het indienen van verklaringen van derden en deelname aan lhbti-activiteiten. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van eiser en dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kan worden gehandhaafd. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45551
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K. Kanters ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag1 van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1975. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening2 hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Onwiegbuchu als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 NL25.45552.
Eerdere asielaanvraag
3. Eiser heeft op 24 april 2022 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en bij terugkeer naar Nigeria vreest voor vervolging. De minister heeft de homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig geacht en heeft deze aanvraag daarom afgewezen in een besluit van 23 mei 2024. Hierbij heeft de minister onder meer overwogen dat de verklaringen van eiser over zijn liefdesrelaties en beleving van zijn seksuele geaardheid oppervlakkig, summier en weinig persoonlijk zijn. Ook heeft eiser geen kennis over de lhbti-gemeenschap en organisaties in zowel Nigeria als Nederland. De rechtbank heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 het tegen deze afwijzing gerichte beroep van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de minister bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser voldoende rekening heeft gehouden met de leeftijd, het intelligentieniveau en de culturele achtergrond van eiser.3 De afwijzing van deze asielaanvraag staat in rechte vast.

Huidige asielaanvraag

4. Eiser heeft op 25 juli 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een identiteitsgroei heeft doorgemaakt met betrekking tot zijn homoseksuele geaardheid. Eiser heeft zich aangesloten bij LGBT Asylum Support, zijn kennis is gegroeid en hij is beter in staat om uitleg te geven over zijn ontwikkeling. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een verklaring overgelegd van [persoon1] , [functie] van LGBT Asylum Support, foto’s van eiser bij verschillende lhbti-activiteiten en een verklaring van zijn partner. Eiser vreest bij terugkeer problemen met de Nigeriaanse autoriteiten in verband met zijn seksuele geaardheid.

Het bestreden besluit

5. Het relaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
 identiteit, nationaliteit en herkomst;
 homoseksuele geaardheid.
6. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. De homoseksuele geaardheid van eiser heeft de minister (nog altijd) niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet met objectieve documenten (volledig) onderbouwd. De verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksualiteit vormen volgens de minister verder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hierbij acht de minister van belang dat de gestelde seksuele geaardheid van eiser in het eerdere besluit van 23 mei 2024 ongeloofwaardig is geacht en dat dit besluit in rechte vaststaat. Dat eiser nu contacten heeft met een lhbti-organisatie en de lhbti-gemeenschap maakt zijn geaardheid niet alsnog geloofwaardig, aldus de minister. Eiser heeft namelijk geen inzicht gegeven in hoe dit heeft bijgedragen aan de door hem gestelde ontwikkeling. Over het belang van het deelnemen aan activiteiten en over de activiteiten heeft eiser alleen oppervlakkig en summier verklaard. De door eiser overgelegde foto’s en de verklaring van [persoon1] bevestigen enkel de deelname van eiser aan lhbti-activiteiten maar met de enkele aanwezigheid bij een evenement of bijeenkomst maakt eiser zijn gestelde seksuele geaardheid nog niet aannemelijk. Verder heeft eiser summier, wisselend en weinig gedetailleerd verklaard over zijn gestelde huidige relatie. Zo heeft eiser volgens de minister wisselend verklaard over het begin van de relatie en summier, oppervlakkig en weinig persoonlijk over de totstandkoming van de relatie en zijn gevoelens voor zijn gestelde partner. Gelet hierop maakt eiser ook met zijn verklaringen over de gestelde partner zijn homoseksualiteit niet aannemelijk.
7. De minister komt dan ook tot de conclusie dat eiser ook in het kader van deze opvolgende aanvraag de gestelde homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser komt volgens de minister daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel4. De asielaanvraag van eiser wordt als kennelijk ongegrond afgewezen5.
Wat vindt eiser?
8. Eiser stelt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiser betwist op zichzelf niet dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard maar geeft aan dat hij, ook omdat hij stottert, moeilijk praat. Eiser is een simpel man met onvoldoende vermogen om zijn gevoelens en identiteitsgroei onder woorden te kunnen brengen. De minister heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Eiser heeft foto’s overgelegd en verklaringen ingebracht van de [functie] van LGBT Asylum Support en van zijn partner [persoon2] . Hieraan is in het bestreden besluit ten onrechte geen waarde toegekend door de minister. Eiser wijst erop dat dit in strijd is met Werkinstructie 2019/17 (hierna: WI 2019/17). De door eiser overgelegde verklaringen zijn onvoldoende gemotiveerd door de minister opzijgeschoven. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Juridisch kader
9. Over het toepasselijke toetsingskader overweegt de rechtbank dat het gaat om een opvolgende aanvraag en dat in rechte vaststaat dat de homoseksuele gerichtheid van eiser in een eerdere procedure niet geloofwaardig is geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in het kader van opvolgende procedures over geloofsgroei overwogen dat de minister in opvolgende procedures niet ten onrechte uitgaat van een verzwaarde bewijslast voor de vreemdeling als het asielrelaas waar de vreemdeling op voortborduurt eerder al ongeloofwaardig is geacht.6 Bij een opvolgende aanvraag blijft de uitkomst van de voorgaande procedure het uitgangspunt, waardoor een zwaardere bewijslast voor de vreemdeling geldt, aldus de ABRvS. De rechtbank acht het niet onredelijk dat die zwaardere bewijslast, zoals namens de minister op de zitting is aangevoerd, ook van toepassing is op een vreemdeling zoals eiser, die opnieuw zijn seksuele geaardheid als asielmotief aanvoert, terwijl een eerdere aanvraag is afgewezen omdat die seksuele geaardheid niet geloofwaardig werd geacht7. Niet ten onrechte heeft de minister de verklaringen van eiser mede in dit licht beoordeeld.

Vermogen om te verklaren

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het referentiekader van eiser kenbaar en voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister heeft betrokken dat eiser (maar) tot zijn veertiende jaar scholing heeft gehad en daarna voor zichzelf is gaan werken. 8 Ook heeft de minister er in het bestreden besluit op gewezen dat van eiser geen lange verhalen in ingewikkelde woorden worden verwacht.9 Het achterwege laten daarvan is hem ook niet tegengeworpen. Evenmin is aan eiser tegengeworpen dat hij geen exacte data kan noemen.10 Daarnaast is eiser tijdens het gehoor in staat gesteld om uitleg te vragen als hij een vraag niet begreep. Dit heeft eiser ook verschillende keren gedaan, waarna de gehoormedewerker de vraag steeds anders stelde of nader toelichtte zodat eiser de vraag alsnog kon beantwoorden.11 Ook heeft de gehoormedewerker eiser naar aanleiding van diens antwoorden verschillende malen om toelichting gevraagd om hem zo de kans te geven zijn antwoorden te concretiseren.12 Verder zijn er in het verslag van het gehoor geen aanknopingspunten te vinden dat eiser hinder heeft ondervonden van de omstandigheid dat hij stottert en dat in het gehoor heeft aangegeven.
4 op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
5 op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
6 Uitspraak van de ABRvS van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713.
7 Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10102.
11. De minister heeft gelet op het vorengaande zowel tijdens het gehoor als in de besluitvorming voldoende rekening gehouden met het referentiekader en de omstandigheden van eiser. Er bestaat daarom geen reden om eiser te volgen in zijn stelling dat het hem niet is toe te rekenen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard. De minister heeft daarom bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele geaardheid van eiser betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser summier en weinig inzichtgevend en ook wisselend heeft verklaard over zijn (identiteitsgroei door) deelname aan lhbti-activiteiten en zijn gestelde relatie met [persoon2] . De beroepsgrond van eiser faalt dan ook.

De overgelegde documenten

12. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de minister de aanvraag van eiser niet conform WI 2019/17 heeft beoordeeld door te veel de nadruk te leggen op eisers verklaringen en te weinig waarde te hechten aan de door hem overgelegde documenten. De minister heeft het zwaartepunt van de beoordeling niet ten onrechte en overeenkomstig deze WI bij eisers eigen ervaringen en persoonlijke beleving van zijn seksuele gerichtheid en wat dit voor hem heeft betekend, gelegd
.Uit de WI blijkt verder dat het afhankelijk is van de individuele omstandigheden of een verklaring van derden eventueel opweegt tegen hetgeen de vreemdeling zelf heeft verklaard. De minister heeft daarom terecht niet zonder meer doorslaggevende waarde toegekend aan deze documenten maar deze beoordeeld in het licht van de verklaringen van eiser. Over de overgelegde documenten over de aanwezigheid van eiser bij activiteiten van LGBT Asylum Support heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de enkele aanwezigheid van eiser bij deze (laagdrempelige) activiteiten niet zijn gestelde seksuele geaardheid kan onderbouwen. Het is daarom van belang dat eiser met zijn verklaringen inzichtelijk kan maken waarom het voor hem belangrijk is om aan deze activiteiten deel te nemen en wat dit met hem doet. Eiser heeft dit niet gedaan, maar blijft steken in algemeenheden over wat LGBT Asylum Support voor hem doet. Eiser kan ook niet aangeven waarom het voor hem belangrijk is om deel te nemen aan de gay parade.13
8 Zie pagina 3 van het voornemen.
9 Zie pagina 2 van het bestreden besluit.
10 Zie pagina 6 van het voornemen.
11 Zie bijvoorbeeld pagina 4 en 9 van het gehoor waarin eiser aangeeft de vraag niet te begrijpen, waarna nadere duiding wordt gegeven.
12 Zie bijvoorbeeld pagina 5 van het gehoor waar de gehoormedewerker aangeeft het antwoord van eiser vrij kort en algemeen te vinden en aan eiser probeert uit te leggen hoe hij zijn antwoorden kan concretiseren.
13. Ook aan de door eiser overgelegde verklaring van zijn gestelde partner heeft de minister niet die waarde hoeven toekennen die eiser hieraan gehecht wil zien. Hierbij is van belang dat eiser wisselend, summier, oppervlakkig en weinig persoonlijk over deze relatie heeft verklaard. Zo kan eiser niet duidelijk aangeven wanneer de relatie is begonnen14, heeft hij wisselend verklaard over wanneer hij zijn partner over zijn gevoelens heeft verteld en blijft hij steken in oppervlakkigheden bij de omschrijving van de relatie en wat hij leuk vindt aan zijn partner.15 Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde documenten niet opwegen tegen de verklaringen van eiser. Deze documenten geven namelijk geen verdergaand inzicht in de eigen ervaringen en persoonlijke belevingen van eiser, zodat deze onvoldoende zijn om de oppervlakkige, summiere en algemeen bevonden verklaringen van eiser op dit punt te compenseren. De beroepsgrond slaagt ook niet.
14. De minister heeft zich gelet op het vorengaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde homoseksuele geaardheid nog altijd niet geloofwaardig is. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
13 Zie bijvoorbeeld pagina 9 van het gehoor waarin eiser aangeeft voor zijn bescherming te willen meedoen aan een gay parade en dat er verder geen activiteiten zijn voor LGBT Asylum Support.
14 Zie pagina 8 van het gehoor.
15 Zie pagina 13 van het gehoor.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.