3.4.Bewijsoverwegingen
Vanaf 1 oktober 2020 heeft de politie onderzoek verricht naar meerdere telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] ) en hierbij een grote hoeveelheid aan telefoongesprekken onderschept die volgens de politie op de handel in verdovende middelen betrekking hebben. De verdachte wordt als de gebruiker van de telefoonnummers aangemerkt. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de inhoud van de gesprekken niet voor het bewijs kunnen worden meegenomen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de veelal in het Marokkaans gevoerde gesprekken zijn vertaald door een beëdigd tolk of vertaler. De raadsman van de verdachte heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de identificatie van de verdachte als gebruiker van de telefoonnummers onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank overweegt het volgende.
Vertaling telefoongesprekken
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat de inhoud van de onderschepte telefoongesprekken van het bewijs moeten worden uitgesloten. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers maakt de politie uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten dat deze verplichting niet zou zijn nageleefd. De enkele stelling van de raadsman dat in het dossier niet staat dat de tolk die de telefoongesprekken heeft vertaald is beëdigd, is hiertoe onvoldoende. De verdediging heeft bovendien niet gespecificeerd en onderbouwd wat er in de telefoongesprekken niet goed zou zijn vertaald.
Gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] , [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 3]
Bij een fouillering van de verdachte, volgend op een (andere) aanhouding op 5 maart 2021, zijn twee telefoons aangetroffen die gebruik maakten van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] (dual sim) en [telefoonnummer 6] . Daarnaast is een telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] aangetroffen bij het bed waar de verdachte op het moment van de aanhouding op 23 maart 2021 in sliep. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte de gebruiker van deze telefoonnummers is geweest.
Over de telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 6] hebben getuigen verklaard dat deze aan een dealer toebehoren en dat zij van deze dealer verdovende middelen hebben afgenomen. Daarnaast heeft een van deze getuigen verklaard dat ook het telefoonnummer [telefoonnummer 3] in zijn telefoon staat. Ten aanzien van alle vier de telefoonnummers bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2]
De politie heeft gesprekken van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] onderschept en aan de hand van de inhoud en tijdstippen van een aantal gevoerde gesprekken kunnen afleiden waar de gebruiker van het telefoonnummer – die door tegencontacten ook wel ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd – zich op die momenten vermoedelijk bevond. Vervolgens zijn camerabeelden bekeken die aansluiten op de inhoud en tijdstippen van die gesprekken. Hierop zijn momenten vastgelegd waarop de beller – de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] – is te zien. Uit een analyse van die camerabeelden heeft de politie het uiterlijk van de gebruiker kunnen vaststellen. Deze persoon is hierna meerdere dagen door de politie geobserveerd en daaruit is gebleken dat de persoon met behulp van een sleutel de woning aan het adres [adres] betrad. Verder is uit de zendmastgegevens met betrekking tot het telefoonnummer gebleken dat in de nachtelijke uren het meest gebruik is gemaakt van twee basisstations die beiden de woning aan de [adres] binnen hun bereik hebben. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] een bewoner van de woning aan de [adres] moet zijn.
Op 23 maart 2021 is de verdachte in de woning aan de [adres] aangehouden. Op dat moment lag de verdachte in de woning te slapen, er was niemand anders in de woning aanwezig en naast het bed (waarin de verdachte sliep) is een sleutelbos met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning aangetroffen. Zowel de eigenaar van de woning als zijn neef hebben verklaard dat er tijdelijk een kennis, ene ‘ [bijnaam 1] ’ in de woning verbleef en dat de woning verder niet bewoond werd.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de enige bewoner van de woning aan de [adres] was en dat hij dus de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] was. Dat een ander dan de verdachte in die periode van de woning gebruik heeft gemaakt, is niet aannemelijk geworden.
Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verwerkt, verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1]
De politie heeft ook het telefoonnummer [telefoonnummer 1] auditief geobserveerd. Toen dit telefoonnummer niet meer werd gebruikt, ontstond het vermoeden dat de gebruiker ervan gebruik is gaan maken van het (hiervoor genoemde) telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ten eerste heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode van 29 september 2020 tot en met 29 november 2020 zeer vaak – 237 keer – contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] en daarna helemaal niet meer. In een periode daarna – 10 december tot en met 17 december 2020 – heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 7] regelmatig contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , waar voorheen geen contact mee is geweest. Ten tweede is aan de hand van onderschepte gesprekken de stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] met de stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] vergeleken. Daaruit is gebleken dat de stemmen zeer gelijkend zijn en daarom is het aannemelijk dat dezelfde persoon de gebruiker van de nummers is. Ten derde is uit de historische belgegevens van beide telefoonnummers gebleken dat hun contacten nagenoeg identiek waren.
De rechtbank concludeert op grond van de voornoemde omstandigheden dat de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] was. Aangezien de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] is geweest, volgt de conclusie dat de verdachte ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] is geweest.
Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bevat het dossier meerdere onderschepte telefoongesprekken in de tenlastegelegde periode die naar hun inhoud niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat heroïne en cocaïne werd verkocht, afgeleverd en verstrekt.
Getuige [getuige 1] verklaart dat hij een of twee keer per week cocaïne kocht en herkent verdachte als degene bij wie hij dat kocht. Hoewel hij bij de rechter-commissaris zegt hem niet voor 100% te herkennen, is hij bij de politie stelliger en legt hij wel het verband met het gebruikte telefoonnummer. Getuige [getuige 2] herkent verdachte ook als ene [bijnaam 2] , bij wie hij drugs kocht. Die drugs waren wit, maar hij wist niet wat het voor drugs waren. De ontkenning dat hij cocaïne kocht, is in het licht van de overige omstandigheden uit het dossier, waaronder de tapgesprekken, onvoldoende om de verklaring niet voor het bewijs te gebruiken.
Conclusie
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker van de telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] ) was en dat uit de inhoud van gesprekken met betrekking tot deze telefoonnummers kan worden afgeleid dat de verdachte in de tenlastegelegde periode heroïne en cocaïne heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd en verstrekt. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de inhoud van (een aantal van) de gesprekken af dat de verdachte regelmatig met dezelfde telefooncontacten, waaronder de medeverdachte [medeverdachte] , gesprekken heeft gevoerd over het verstrekken van verdovende middelen. De rechtbank ziet hierin een enigszins gestructureerd (drugs)netwerk met vaste tussenpersonen, die de verdovende middelen (vermoedelijk aan gebruikers) zullen doorverkopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij het handelen van de verdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die als medeplegen valt aan te merken.
Ten aanzien van feit 1, 3 en 4
Bij de aanhouding van de verdachte op 23 maart 2021, is de woning aan de [adres] doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn verdovende middelen, een aanzienlijke hoeveelheid contant geld en andere voorwerpen, die verband kunnen houden met de handel in verdovende middelen, aangetroffen. Het aanwezig dan wel voorhanden hebben van deze voorwerpen is onder de feiten 1, 3 en 4 ten laste gelegd.
Aanwezig hebben van verdovende middelen (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat deze zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan. De rechtbank heeft reeds overwogen dat de verdachte een sleutel van de woning had, dat hij in de woning verbleef en dat het niet aannemelijk is geworden dat een ander dan de verdachte op dat moment de woning bewoonde. Deze omstandigheden, in combinatie met de hiervoor ten aanzien van feit 2 genoemde feiten en omstandigheden waaruit is gebleken dat de verdachte in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, leiden de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. De verdovende middelen bevonden zich dan ook in de machtssfeer van de verdachte en hij had wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen. De rechtbank acht daarom feit 1 bewezen.
De rechtbank zal bewezen verklaren dat de verdachte 503,4 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Deze hoeveelheid is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) getest en hiervan is vastgesteld dat dit heroïne betreft. Andere aangetroffen (vermoedelijk verdovende) middelen zijn niet door het NFI getest, waardoor de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat het daadwerkelijk om de verdovende middelen gaat. In lijn met het voorstel van de officier van justitie zal de rechtbank de verdachte daarom (partieel) vrijspreken van het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 100,1 gram cocaïne.
De rechtbank zal de verdachte ook vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met ander(en) is gepleegd.
Voorbereidingshandelingen ter zake van de handel in verdovende middelen (feit 3)
Vast staat dat in de woning ook een dealertelefoon en weegschaaltje zijn aangetroffen. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, waaruit is gebleken dat de verdachte als enige van de woning gebruik maakte en in de periode voor zijn aanhouding bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, concludeert de rechtbank dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van deze voorwerpen in de woning en dat deze voorwerpen ertoe waren bestemd om de handel in verdovende middelen voor te bereiden en te bevorderen. De rechtbank acht dan ook feit 3 bewezen voor zover het betreft het – in het kader van de voorbereiding van drugshandel – voorhanden hebben van voornoemde voorwerpen.
De rechtbank zal de verdachte ook vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen., nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met ander(en) is gepleegd
Witwassen (feit 4)
Vast staat tenslotte dat in de woning een contant geldbedrag van € 5.650,- is aangetroffen. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen, zoals aan de verdachte ten laste is gelegd, is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het betreffende voorwerp – in dit geval het aangetroffen geldbedrag – afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak van dien aard zijn dat hiermee een gerechtvaardigd vermoeden is dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte werd er immers van verdacht – en de rechtbank acht inmiddels ook bewezen – dat hij zich met de handel in verdovende middelen heeft beziggehouden, wat het vermoeden dat het geld uit illegale bron afkomstig is, versterkt. Van de verdachte mag dus worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geld.
Ter terechtzitting heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en dus geen verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Gelet hierop en de hiervoor gedane vaststelling dat de verdachte bij de handel in verdovende middelen betrokken is geweest, oordeelt de rechtbank dat het geldbedrag uit die handel – en dus uit enig eigen misdrijf – afkomstig is en dat de verdachte dit wist. De rechtbank acht hierom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (eenvoudig) witwassen.