ECLI:NL:RBDHA:2026:6891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/1629
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 8:29 AwbArt. 28 WpgArt. 3 WpgArt. 8 Wpg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot rectificatie politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens

Eiser heeft een verzoek ingediend tot rectificatie van vier politiemutaties in het Basisvoorziening Handhaving (BVH) systeem, omdat hij meent dat deze onjuiste feitelijke gegevens bevatten die zijn reputatie schaden en zijn internationale reizen belemmeren. Verweerder, de korpschef van politie, heeft het verzoek grotendeels afgewezen, met uitzondering van een mutatie die is aangevuld.

De rechtbank oordeelt dat het rectificatierecht op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) alleen geldt voor feitelijke onjuistheden en niet voor meningen, indrukken of conclusies. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de feiten in de mutaties onjuist zijn. De mutaties betreffen professionele inschattingen van politieambtenaren die geen belang hebben bij onjuiste registratie.

Hoewel eiser bezwaar maakt tegen de suggestieve formuleringen, is dit geen grond voor rectificatie. De rechtbank benadrukt het belang van een duidelijk onderscheid tussen feiten en professionele indrukken in politieregistraties. Verweerder heeft het verzoek terecht geweigerd en dit voldoende gemotiveerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om rectificatie van politiegegevens wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Bruinsma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek van eiser om rectificatie van politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 12 februari 2025 gedeeltelijk afgewezen.
1.2.
Eiser heeft op grond van artikel 7:1, eerste lid, onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de bij de Awb behorende bijlage 1 rechtstreeks beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft laten weten niet aan de zitting te zullen deelnemen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft eerder op 19 november 2024 inzage gekregen in de politiegegevens die over hem staan geregistreerd in het bedrijfsprocessensysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Op 11 december 2024 heeft eiser een verzoek om rectificatie gedaan ten aanzien van verschillende politiemutaties in BVH. Het gaat om vier verschillende politiemutaties waarin volgens eiser feitelijke onjuistheden staan. Verweerder heeft dit verzoek grotendeels afgewezen, één van de politiemutaties is naar aanleiding van het verzoek aangevuld. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het verzoek om rectificatie terecht grotendeels heeft afgewezen.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser ervaart al geruime tijd ernstige hinder en concrete beperkingen bij internationale reizen. Zo is hij onderworpen aan verscherpte controles op luchthavens, geldt voor hem een inreisverbod voor [land 1] en [land 2], en zijn visumaanvragen door verschillende landen afgewezen. Dit terwijl hij nooit strafrechtelijk is vervolgd of verdacht is geweest van enig strafbaar feit. Eiser weet inmiddels dat hij CTER [1] geregistreerd stond en daarnaast dat zijn naam op de LOP-j-lijst [2] stond. De Nederlandse autoriteiten hebben eiser in het verleden tevens laten signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS II) en er is een
Interpol diffusionverstuurd. Eiser heeft echter nooit de intentie gehad om uit te reizen naar conflictgebied en zich ook nooit ingelaten met extremistische ideologieën. Zowel in de journalistiek als door de nationale ombudsman is aandacht besteed aan soortgelijke problematiek. [3] Vanwege de beperkingen die hij ervaart, heeft hij geprobeerd om inzage te krijgen in zijn registratie bij zowel de [land 1] als Nederlandse autoriteiten. Hij heeft na zijn inzageverzoek aan de korpschef kennis kunnen nemen van verschillende politiemutaties. In vier van deze mutaties staan volgens eiser feitelijke onjuistheden. De mutaties bevatten tal van onjuiste passages die een feitelijk karakter dragen en conclusies die niet uitsluitend indrukken of observaties betreffen. Concrete uitlatingen worden aan eiser toegeschreven, er worden specifieke handelingen gesuggereerd en concrete ontmoetingen of aanwezigheden worden geduid als bewijs van radicalisering. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling [4] van 14 februari 2024. [5] De beslissing op het verzoek van eiser om rectificatie geeft blijk van een onjuiste weergave van feiten, een onjuiste rechtsopvatting, ontoereikende motivering en miskenning van de zwaarwegende belangen van eiser. Verweerder beperkt zich tot standaardoverwegingen en de belangenafweging door verweerder is ontoereikend. De onjuiste politiemutaties vormen een inbreuk op zijn recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro), zijn recht op vrijheid van religie (artikel 9 EVRM Pro) en zijn recht op vrijheid van beweging (artikel 2, Protocol 4 EVRM). Hij verzoekt de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen, verweerder op te dragen de mutaties te corrigeren en hieraan een rechterlijke dwangsom te verbinden van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. De politiemutaties zijn vastgelegd in BVH, een systeem dat bijdraagt aan de informatievoorziening ten behoeve van de goede uitvoering van de dagelijkse politietaak. Verweerder wijst erop dat de wettelijke grondslag voor deze verwerking van politiegegevens is gelegen in artikelen 3 en 8 van de Wpg. [6] Het is niet gebleken dat de in de mutaties vermelde gegevens onjuist of onvolledig zijn, noch dat deze in strijd met enig wettelijk voorschrift zijn verkregen of dat met rectificatie daarvan aan enig wettelijk voorschrift wordt voldaan. De gegevens zijn rechtmatig verkregen, ter zake dienend en niet bovenmatig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verwerking van deze gegevens nog steeds noodzakelijk is, en afgezet tegen het belang van eiser, evenredig voor het behoud van een goede informatiepositie en een goede uitvoering van de politietaak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
Het rectificatieverzoek ziet op de volgende passages in vier verschillende mutaties:
BVH-mutatie PL-1500-2014305330-1
“[…] [Eiser] ging bijdehand doen. [Eiser] is op gepaste wijze op zijn nummer gezet. […]”
BVH-mutatie PL1500-2015047824-1
“[…] Ik heb [eiser] om verschillende signalen die afzonderlijk niet echt zorgelijk zijn, maar bij elkaar wel een rode vlag signaal geven uitgenodigd.
[…]
4. Omgang heeft met broeders die bij elfath komen.
5. Geld aan het vrijmaken is door zijn auto te verkopen.
[…]
Lichtelijk terneergeslagen en vol twijfel is hij weggegaan. […]”
BVH-mutatie PL1500-2015160320-1
“[…] Volgens vader gaat het goed met [eiser], hij is thuis rustiger, heeft het niet meer over Jihad en aanverwante onderwerpen. […]”
BVH-mutatie PL1500-2015330269-1
“[…] Tot voor kort woonde hij bij zijn ouders en dat liep al geruime tijd niet goed, omdat de ideeën van [eiser] (tegen het radicale aan) niet strookten met die van zijn vader. [Eiser] heeft een tijdje geleden de intentie gehad uit te reizen via [land 1]. Dat is kunnen worden voorkomen. Nadat dit was stuk gemaakt, heeft hij zijn intenties bijgesteld. Hij schijnt alleen te wonen in de [straatnaam]. Zal bureau hoefkade kennisgeven. […]”
Eiser heeft alleen ten aanzien van de eerste mutatie een alternatieve tekst voorgesteld en heeft verder toegelicht waarom de passages in de verschillende mutaties volgens hem onjuist zijn.
Om eiser tegemoet te komen heeft verweerder op 11 februari 2025 aan mutatie PL15002015047824-1 de volgende tekst uit het rectificatieverzoek toegevoegd:
“In mutatie (zie PL1500-2015021970-1) staat het juist opgeschreven. Er was sprake van een verkeersongeval. De uitkomst was dat de verzekeraar, (schade-expert), de auto total loss heeft verklaard. Dit heeft helemaal niets te maken met het zelfstandig willen verkopen van mijn auto om geld vrij te maken.”
5.2.
In het bestreden besluit wijst verweerder erop dat alle registraties ouder zijn dan vijf jaar en reeds zijn verwijderd. [7] Dit betekent volgens verweerder dat de registraties alleen nog zijn in te zien door speciaal geautoriseerde personen en niet meer door de politiemedewerkers op straat, aldus verweerder. Na nog eens vijf jaar zullen de registraties worden vernietigd. [8] De rechtbank is van oordeel dat dit niet maakt dat eiser niet langer belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van deze zaak. [9]
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het rectificatieverzoek ziet op politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens. De rechtbank benadrukt dat het in deze zaak alleen gaat om een verzoek om rectificatie. Blijkens de stukken waar eiser op 19 november 2024 inzage in heeft gehad, zijn verschillende politiemutaties in het geheel niet met eiser gedeeld. [10] Eiser is voor zover bekend niet opgekomen tegen de weigering om inzage in die politiemutaties. Hij heeft ook niet verzocht om verwijdering van gegevens of (expliciet) verzocht om aanvulling van de politiemutaties.
5.4.
Artikel 28, eerste lid, van de Wpg bepaalt dat de betrokkene op zijn schriftelijke verzoek het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
5.5.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wpg correctie van gegevens alleen mogelijk is wanneer de gegevens feitelijke onjuistheden bevatten. Het correctierecht is niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024 kunnen bijvoorbeeld woordenwisselingen, het gedrag van betrokkene en het effect daarvan op omstanders, en uitlatingen ook feitelijk zijn
geformuleerd(in een mutatierapport).
5.6.
Voor zover het verzoek van de betrokkene betrekking heeft op feiten, is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de feiten onjuist zijn. Het recht op rectificatie is geen absoluut recht. Als betrokkene aannemelijk maakt dat de feiten onjuist zijn, dan dient verweerder het belang van betrokkene bij rectificatie af te wegen tegen het belang van verweerder om rectificatie te weigeren. [11]
5.7.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de mutaties geen feitelijke gegevens bevatten die voor rectificatie in aanmerking komen. De mutaties betreffen een beroepsmatige inschatting van het gedrag van eiser vanuit het oogmerk van een goede uitvoering van de politietaak. Mutatierapporten worden opgesteld door opgeleide politieambtenaren die geen belang hebben bij wat zij in de mutaties als door hen waargenomen vermelden. Dat eiser bijvoorbeeld de vermelding dat hij “Lichtelijk teneer geslagen en vol twijfel is […] weggegaan” onterecht vindt, maakt nog niet dat deze passage moet worden gerectificeerd. Het betreft immers de indruk van een verbalisant en mocht daarom op die manier worden geregistreerd.
Hoewel de rechtbank het met eiser eens is dat niet altijd duidelijk uit de mutaties blijkt waarop de professionele indrukken, meningen of conclusies die in de mutaties zijn vastgelegd, zijn gebaseerd, maakt dat nog niet dat deze alleen daarom al onjuist zijn, en moeten worden gerectificeerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser geen volledige inzage heeft gekregen in de politiegegevens die over hem zijn geregistreerd. Mogelijk dat de mutaties die niet met eiser zijn gedeeld een meer gedegen onderbouwing geven voor die professionele indrukken, meningen of conclusies. Voor de rechtbank is het niet mogelijk om dit na te gaan, omdat verweerder de stukken die voor eiser ter inzage hebben gelegen niet in afschrift aan de rechtbank heeft verstrekt met een beroep op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb. Ook de strafrechter heeft over deze mutaties geen oordeel kunnen geven. Eiser is immers nimmer strafrechtelijk vervolgd en heeft de mutaties dus ook niet in het kader van de waarheidsvinding in een strafproces kunnen betwisten. In het kader van een rectificatieverzoek is dat echter van ondergeschikt belang. In deze zaak is van belang of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten in de mutaties onjuist zijn.
De rechtbank overweegt dat voor zover de mutaties al feiten bevatten, eiser met het enkel weerspreken ervan niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze onjuist zijn. Dit geldt ook ten aanzien van wat de vader van eiser ten overstaan van de verbalisant heeft verklaard en vervolgens in het mutatierapport is vermeld. [12] Slechts ontkennen dat zijn vader deze uitlatingen heeft gedaan, is hiertoe onvoldoende.
Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiemutaties feiten bevatten die onjuist zijn, heeft verweerder terecht geen belangenafweging gemaakt in de beslissing op het verzoek. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder het verzoek om rectificatie heeft mogen weigeren en dit ook deugdelijk heeft gemotiveerd.
5.8.
De rechtbank merkt nog op dat eiser op zitting heeft toegelicht dat hij op onderdelen met name opkomt tegen de wijze van formuleren. De mutaties zijn volgens eiser suggestief dan wel insinuerend geformuleerd. De rechtbank onderstreept het belang van het maken van een helder onderscheid (bij het registeren van politiegegevens) tussen feiten enerzijds, en professionele indrukken, meningen of conclusies anderzijds, en geeft verweerder mee dit onderscheid in het vervolg scherp voor ogen te houden. Tot slot wil de rechtbank nog opmerken dat verweerder (in het verweerschrift) niet heeft weersproken dat eiser in het verleden een klacht heeft ingediend waar het gaat om het incident van 27 november 2014 (BVH-mutatie PL-1500-2014305330-1). Verweerder is niet ter zitting verschenen en heeft hier op zitting dus geen toelichting op kunnen geven. Voor zover eiser deze mutatie wil laten aanvullen door middel van een aanvullende verklaring, kan hij daartoe een gericht verzoek doen bij verweerder.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.(Contra-) terrorisme, Extremisme en Radicaliseringen.
2.Landelijk Overzicht Politie Jihadgang.
3.Eiser wijst op de uitzending ‘Onzichtbare muren’ van 29 september 2022 (VPRO) en het rapport ‘Blind vertrouwen. De burger in de keten van contraterrorisme’ van de nationale ombudsman (2024).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:621.
6.Wet politiegegevens.
7.Artikel 8, zesde lid, van de Wpg.
8.Artikel 8, vierde en zesde lid, artikel 10, zesde lid, en artikel 14, eerste lid van de Wpg.
9.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5574, r.o. 4.7.
10.Artikel 27 van Pro de Wpg.
12.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6338, r.o. 2.4.1.