Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/8230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening gemeente Rijswijk 2023Art. 2.1.4 Beleidsregel college burgemeester en wethouders gemeente RijswijkArt. 2.1.12 Beleidsregel college burgemeester en wethouders gemeente RijswijkArt. 7:3 Huisvestingsverordening gemeente Rijswijk 2023Art. 4.1 Beleidsregel college burgemeester en wethouders gemeente Rijswijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op medische gronden vanwege perifere polyneuropathie, geïnduceerde myelopathie, evenwichtsstoornissen en het hetevoeten-syndroom, waardoor zijn mobiliteit ernstig beperkt is. Hij woont momenteel op zolder bij zijn ouders, wat fysiek en mentaal belastend is. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker weliswaar een spoedeisend belang heeft, maar dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening. De weigeringsgronden zijn onder meer dat verzoeker woont in een niet-zelfstandige woonruimte en dat het huisvestingsprobleem voorzienbaar was. De hardheidsclausule is niet toegepast omdat verzoeker onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die onbillijkheden van overwegende aard veroorzaken.

De medische stukken tonen beperkingen, maar geen levensbedreigende of levensontwrichtende situatie die zelfstandig functioneren onmogelijk maakt. Bovendien zijn er nog mogelijkheden om de woonsituatie te verbeteren, zoals een traplift of kamerverplaatsing. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en concludeert dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8230

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigden: mr. I. Colen en mr. J. Chang Shang Min).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. [1]
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 24 januari 2025 een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. Hij vraagt urgentie aan op medische gronden omdat hij gediagnostiseerd is met perifere polyneuropathie en geïnduceerde myelopathie, wat zijn mobiliteit ernstig beperkt. Hij kampt ook met evenwichtsstoornissen en het hetevoeten-syndroom. Verzoeker woont op dit moment nog bij zijn ouders waarbij zijn slaapkamer op zolder is. Deze situatie is voor hem zowel fysiek als mentaal belastend door de vele trappen en het gevoel dat hij opgesloten zit. Verzoeker vraagt om een gelijkvloerse woning met lift.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat in het geval van verzoeker meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn. Als eerste gaat het om artikel 4:5, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening. [2] Hierin is bepaald dat geen urgentieverklaring wordt verleend wanneer het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien. Ook is de weigeringsgrond uit artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Huisvestingsverordening van toepassing. [3] Daaruit volgt dat dat er geen urgentieverklaring wordt verleend wanneer de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is. Verweerder ziet verder geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen een urgentieverklaring toe te kennen dan wel een onafhankelijk medisch onderzoek uit te laten voeren. Als gevolg van zijn medische situatie kan hij niet zelfstandig functioneren in zijn huidige woning. De zolderverdieping is alleen via een trap bereikbaar en bevat geen sanitaire voorzieningen. Hij is afhankelijk van anderen bij het traplopen en andere dagelijkse handelingen. Dit heeft ook invloed op zijn mentale gezondheid. Door zonder medisch onderzoek te oordelen dat geen urgentieverklaring nodig is en dat verzoeker zijn huisvestingsprobleem zelf zou kunnen oplossen heeft verweerder in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij komt dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar drie woningweigeringen. Dit betreffen feitelijk geen weigeringen. De woningen werden aangeboden in een periode dat verzoeker nog samen met zijn ex-partner stond ingeschreven. Na de relatiebreuk was hij alleenstaand en voldeden de woningen niet langer. Eén woning betrof alleen een interessepeiling.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft.
Mocht verweerder de aanvraag om een urgentieverklaring afwijzen?
6. Bij het nemen van een beslissing over een urgentieverklaring heeft verweerder beoordelings- en beleidsruimte. Hierbij wordt in de regel een strikt beleid gehanteerd. Uit rechtspraak volgt dat dergelijk strikt beleid niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten.
6.1.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. Deze algemene weigeringsgronden staan in artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening. Als sprake is van één of meer algemene weigeringsgronden dan komt de aanvrager in beginsel niet in aanmerking voor een urgentieverklaring.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Huisvestingsverordening (hij woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is). Dat betekent dus dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
7. Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen heeft het bestuursorgaan bij het al dan niet toepassen van een hardheidsclausule ook beoordelingsruimte. [4] Het gebruik van deze ruimte moet door de rechter eveneens terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts indien verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. [5]
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de door hem ingediende stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie. Uit de stukken van de huisarts van 7 oktober 2022, 10 juni 2024 en 20 januari 2025, en een stuk van de fysiotherapeut van 17 april 2025 blijkt weliswaar dat verzoeker kampt met verschillende medische aandoeningen die hem in het dagelijks leven beperken, maar niet dat sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende situatie waardoor hij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren. [6] Bovendien is ter zitting gebleken dat er voor verzoeker nog onbenutte mogelijkheden zijn voor het verbeteren van zijn woonsituatie zoals het onderzoeken van de mogelijkheid tot het installeren van een traplift en het verplaatsen van zijn kamer van de zolder naar de eerste verdieping. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder ook niet gehouden om op grond van deze stukken een nader medisch onderzoek in te stellen. [7]
7.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op basis van de informatie die nu voorligt het beroep vooralsnog geen redelijke kans van slagen heeft. Zij ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beroep met zaaknummer SGR 25/6602.
2.Artikel 4:5, aanhef en onder d, van Huisvestingsverordening gemeente Rijswijk 2023 (de Huisvestingsverordening) en artikel 2.1.4 van de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk houdende regels omtrent urgentieverklaringen (de Beleidsregel).
3.Artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Huisvestingsverordening en artikel 2.1.12 van de Beleidsregel.
4.Zie bijvoorbeeld die uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:231.
5.Artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening en artikel 4.1 van de Beleidsregel.
6.Vergelijk met artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening jo. artikel 2.2.3 van de Beleidsregel.
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:349.