Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6952

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/09/681049 / FA RK 25-1535
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding met gezamenlijke gezag

Partijen zijn sinds 2018 gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over twee minderjarige kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader. In eerdere beschikkingen zijn de zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld. De vader verzoekt wijziging van de zorgregeling voor het jongste kind en een verhoging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 2019, vanwege de gestegen inkomsten van de moeder en gewijzigde zorgverdeling.

De moeder stemt in met de wijziging van de zorgregeling en betwist de omvang en terugwerkende kracht van de alimentatieverhoging. De rechtbank stelt vast dat de ouders in onderling overleg een nieuwe zorgregeling hebben getroffen die het belang van het kind dient. De rechtbank beoordeelt vervolgens de alimentatieverzoek inhoudelijk, waarbij zij uitgaat van de actuele inkomenssituatie van partijen en de zorgkortingen die voortvloeien uit de zorgregeling.

De rechtbank berekent de behoefte van de kinderen op basis van het netto besteedbaar inkomen van beide ouders en verdeelt deze behoefte naar rato van hun draagkracht. De draagkracht van de moeder is aanzienlijk hoger dan die van de vader. De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie met ingang van 17 februari 2025 en wijst een maandelijkse bijdrage toe van € 216 voor het oudste kind en € 148 voor het jongste kind, met jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling en verhoogt de kinderalimentatie met ingang van 17 februari 2025, met jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1535
Zaaknummer: C/09/681049
Datum beschikking: 25 februari 2026

Kinderalimentatie en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 17 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 5 maart 2025, ingediend namens de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 mei 2025, ingediend namens de moeder;
  • het F9-formulier van 6 januari 2026, ingediend namens de vader, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over de verzoeken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 20 januari 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door waarnemend advocaat, mr. R.G. Jagesar;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2005 tot [datum 2] 2018.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en is een door de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 85,- per maand per kind, met ingang van 1 mei 2018, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat voor [minderjarige 2] een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij [minderjarige 2] :
- bij de vader verblijft:
- in de ene week: van woensdag na schooltijd tot maandag naar school; en
- in de andere week: van woensdag na schooltijd tot vrijdag naar school;
- bij de moeder verblijft:
- van maandag na schooltijd tot en met woensdag en van vrijdag na schooltijd tot en met woensdag naar school de week erop.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de vrouw te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 114,11 per maand per kind.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
de beschikking d.d. 14 juni 2018 te wijzigen met dien verstande dat de vrouw als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen in het jaar 2019 een bijdrage ad € 149 per kind per maand dient bij te dragen, in het jaar 2020 een bijdrage ad € 211 per kind per maand, in het jaar 2021 een bijdrage ad € 239 per kind per maand, in het jaar 2022 een bijdrage ad € 267 per kind per maand, in het jaar 2023 een bijdrage ad € 291 per kind per maand, in het jaar 2024 een bijdrage ad € 328 per kind per maand en met ingang van datum indiening verzoekschrift een bedrag van € 328 per kind per maand bij vooruitbetaling aan de man zal voldoen, althans een bedrag dat de Rechtbank in goede justitie geraden acht.
de beschikking d.d. 11 april 2024 te wijzigen met dien verstande dat de omgangsregeling als volgt zal worden vastgesteld:
 In de even weken verblijft [minderjarige 2] van woensdag na school tot donderdag naar school bij de vrouw;
 Donderdag na school verblijft zij bij de man tot vrijdag naar school;
 Vrijdag na school tot maandag naar school is [minderjarige 2] bij de vrouw (weekend vrouw);
 In de oneven weken verblijft [minderjarige 2] van maandag na school tot woensdag naar school bij de man;
 Woensdag na school verblijft [minderjarige 2] bij de vrouw tot vrijdag naar school;
 Vrijdag na school tot woensdag na school verblijft [minderjarige 2] bij de man (weekend man);
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
af te wijzen, het verzoek van de man om de beschikking van 14 juni 2018 te wijzigen in dier voege dat over de jaren 2019 tot en met 2024 de vrouw aan de man een hogere bijdrage per maand in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen zou moeten voldoen, althans slechts toe te wijzen voor een bedrag van € 109,09 per maand per kind met ingang van 1 januari 2025 als zijnde het geïndexeerde bedrag van de door partijen overeengekomen onderhoudsbijdrage voor zover de vrouw dat bedrag niet al aan de man zou betalen, althans een bedrag en een ingangsdatum als de Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
toe te wijzen, het verzoek van de man om de beschikking van 11 april 2024 te wijzigen in dier voege dat een omgangsregeling wordt vastgesteld met de door de man omschreven inhoud.

Beoordeling

Wijzigen zorgregeling
De vader verzoekt een wijziging van de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 2] . De moeder is het eens met het verzoek. Beide ouders hebben aangegeven dat zij in onderling overleg en in samenspraak met de bijzondere curator, die in een eerdere procedure was aangesteld, een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen, die beter aansluit bij de agenda en wensen van [minderjarige 2] .
De rechtbank zal conform de bereikte overeenstemming tussen de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 2] zich tegen deze afspraken verzet.
Wijzigen kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De man heeft een verzoek gedaan om de kinderalimentatie te wijzigen. De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is wel tussen partijen in geschil.
Volgens de vader is sprake van gewijzigde omstandigheden, waardoor de kinderalimentatie gewijzigd dient te worden. Omdat de moeder vanaf 2019 structureel meer is gaan verdienen, moeten de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders volgens de vader telkens op het inkomen van de moeder van het desbetreffende jaar worden gebaseerd. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige 1] sinds 2020 geen contact meer met elkaar, zodat de moeder vanaf dat jaar geen beroep meer kan doen op de volledige zorgkorting.
De moeder heeft aangegeven dat haar inkomen inderdaad in de afgelopen jaren is toegenomen, maar dat rechtvaardigt volgens haar niet de stelling van de vader dat daarmee een wijziging van omstandigheden is ontstaan, die moet leiden tot een hogere kinderalimentatie met terugwerkende kracht voor een periode van meer dan vijf jaar. De moeder betwist dat haar hogere inkomen tot een jaarlijks hogere behoefte van de kinderen leidt. De zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt sinds 2020 niet meer uitgevoerd, maar volgens de moeder is er wel sprake van duurzaam contact. Daarnaast steunt zij [minderjarige 1] financieel waar nodig en levert zij op die manier een extra bijdrage.
De rechtbank overweegt dat inderdaad sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat gebleken is dat aan de zijde van de moeder, sinds de vaststelling van de kinderalimentatie in 2018, sprake is van een aanzienlijke inkomensstijging.
De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
De rechtbank zal eerst de ingangsdatum van de mogelijke wijziging beoordelen.
Uit artikel 1:402 eerste Pro lid BW volgt dat ten aanzien van iedere alimentatiebeslissing de ingangsdatum moet worden bepaald. De wetgever laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 17 februari 2025, hanteren. De moeder heeft namelijk vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank ziet geen aanleiding om met terugwerkende kracht vóór de datum van indiening van het verzoekschrift te wijzigen, omdat de moeder daar geen rekening mee kon houden.
De rechtbank neemt hierna de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil.
De rechtbank is met de man van oordeel dat de behoefte moet worden vastgesteld op basis van de huidige inkomens van partijen, omdat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw inmiddels hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen (zie ook het rapport 2026, onder 3.2.8). Daarmee is sprake van een situatie dat het gestegen inkomen van de vrouw invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. Dat sprake is van deze situatie, legt de rechtbank als volgt uit.
De rechtbank stelt daartoe eerst het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan in 2018 vast. De rechtbank gebruikt daarvoor de door de man overgelegde financiële gegevens over 2019, omdat de gegevens over 2018 niet zijn overgelegd en gesteld noch gebleken is dat de financiële situatie van partijen in 2018 substantieel afweek van de situatie in 2019.
Voor het bepalen van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 30.520,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgave 2019.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2019 op € 2.045,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 12.411,- bruto per jaar, (€ 11.227 uitkering en € 1.134 inkomen).
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
- de algemene heffingskorting.
Gelet op het te beperkte inkomen uit arbeid, had de man in 2019 geen recht op de arbeidskorting en evenmin op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2019 op € 862,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2019 dus € 2.963,- per maand (€ 2.045,-
(NBI vrouw)+ € 862,-
(NBI man)+ € 56,-
(kindgebonden budget)). De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekeningen.
Zoals uit het hiernavolgende zal blijken, bedraagt het NBI van de vrouw in 2024 € 3.138,- per maand, en geïndexeerd naar 2025 € 3.342,- per maand. Daarmee is gegeven dat sprake is van de hiervoor genoemde situatie waarbij het NBI van de vrouw inmiddels hoger is dan het NBGI van partijen in 2019, zodat de behoefte opnieuw moet worden bepaald.
Voor de bepaling van de behoefte gaat de rechtbank uit van de financiële gegevens van partijen in 2024 en de daarbij behorende forfaitaire tabelbedragen, geïndexeerd naar 2025.
Omdat partijen sinds hun uiteengaan niet meer in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader (inclusief het door hem ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de moeder vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.
Zoals reeds is overwogen, zal uit het hiernavolgende blijken dat het NBI van de vrouw in 2024 € 3.138,- per maand bedraagt. Daarbij hoort een eigen aandeel voor de twee kinderen van € 640 per maand.
Uit het hiernavolgende zal blijken dat het NBI van de man in 2024 € 1.919,- per maand bedraagt. Daarbij hoort een eigen aandeel voor de twee kinderen van € 355,- per maand.
Gemiddeld komt dit neer op een behoefte van € 498 per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 530 per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Omdat de rechtbank onvoldoende gegevens over 2025 heeft, rekent de rechtbank met de gegevens over 2024 en wordt het NBI vervolgens geïndexeerd naar 2025.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.944,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van € 3511,-. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van oktober 2024.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 393,- per maand;
  • de premie arbeidsongeschiktheid van € 5,- per maand;
  • de aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat van € 16,- per maand;
  • de netto premie (WGA/WHK) van € 21,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2024 op € 3.138,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt dit € 3.342,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 720,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een uitkering van € 15.391,- bruto per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
- de algemene heffingskorting.
Voorts houdt de rechtbank rekening met het kindgebonden budget voor twee kinderen van € 10.050,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2024 op € 1.916,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt dit € 2.040,-.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man lager is dan € 2.125, bepaalt de rechtbank de draagkracht op basis voormelde formule, maar met een woonbudget van € 608,- en noodzakelijke lasten van € 1.260,-. De draagkracht van de man is derhalve € 120,- per maand.
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 720,- (vrouw) + € 120,- (man) = € 840,- per maand. Dit is voldoende om in de totale behoefte van voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 530,- per maand te voorzien.
De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 120 / 840 x 530 = € 75
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 720 / 840 x 530 =
€ 455
samen € 530
Conclusie
De vrouw dient derhalve € 228,- per kind per maand bij te dragen.
Gelet op de zorgregeling heeft de vrouw voor [minderjarige 1] een zorgkorting van 5%, zodat zij € 216,- aan de man dient bij te dragen met ingang van 17 februari 2025.
De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wijzigen met ingang van 17 februari 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 226,- per maand.
Gelet op de zorgregeling heeft de vrouw voor [minderjarige 2] een zorgkorting van 35%, zodat zij € 148,- aan de man dient bij te dragen met ingang van 17 februari 2025.
De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wijzigen met ingang van 17 februari 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 155,- per maand.
Met ingang van 1 januari 2027 worden de laatstgenoemde bedragen van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2018 en van de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 – :
*stelt vast dat partijen het volgende zijn overeengekomen ten aanzien van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] :
- in de even weken verblijft [minderjarige 2] van woensdag na school tot donderdag naar
school bij de vrouw;
- donderdag na school verblijft zij bij de man tot vrijdag naar school;
- vrijdag na school tot maandag naar school is [minderjarige 2] bij de vrouw (weekend
vrouw);
- in de oneven weken verblijft [minderjarige 2] van maandag na school tot woensdag naar
school bij de man;
- woensdag na school verblijft [minderjarige 2] bij de vrouw tot vrijdag naar school;
- vrijdag na school tot woensdag na school verblijft [minderjarige 2] bij de man (weekend
man);
*bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 17 februari 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , van € 216,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 € 226,- per maand, zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 17 februari 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] , van € 148,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 € 155,- per maand, zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door mr. J.M. van der Zwan als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 25 februari 2026.