Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694576 / FA RK 25-8591
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorzieningen kinderalimentatie

De vrouw heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om voorlopige voorzieningen te treffen voor kinderalimentatie, met het oog op een lopende bodemprocedure bij het gerechtshof. Zij vordert dat de man vanaf september of oktober 2024 een maandelijkse bijdrage aan de kosten van de kinderen betaalt, met een bedrag variërend tussen €315 en €449 per kind.

De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en stelt vast dat het verzoek samenhangt met de hoofdvordering in de bodemprocedure, waardoor de vrouw ontvankelijk is. Vervolgens wordt het spoedeisend belang onderzocht. De vrouw stelt dat de kans van slagen groot is, de man draagkracht heeft en al een toezegging heeft gedaan.

De rechtbank oordeelt echter dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet kan wachten op de uitspraak in de bodemprocedure. Er is al een bindende afspraak over kinderalimentatie uit een eerder kort geding van april 2025. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorzieningen afgewezen.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorzieningen voor kinderalimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

0Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8591
Zaaknummer: C/09/694576
Datum beschikking: 26 februari 2026

Voorlopige voorzieningen ex 223 Rv (alimentatie)

Beschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.D. van den Berg in Dordrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kranendonk in 's-Gravendeel.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlagen.

Feiten

  • De vrouw en de man hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats].
  • De man heeft de kinderen erkend.

Verzoek

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe om bij wijze van voorwaardelijke voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bepalen dat, als in de procedure met kenmerk 200.354.386/01 bij het gerechtshof Den Haag de vordering ten aanzien van de kinderalimentatie niet wordt toegewezen, de man met ingang van 17 september 2024 dan wel 4 oktober 2024 bij zal dragen in de kosten van de kinderen met een bedrag van € 449,- dan wel € 315,- per maand per kind, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een bedrag en een ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek van de vrouw in de bodemprocedure. In de bodemprocedure verzoekt de vrouw namelijk ook een bijdrage in de kosten van de kinderen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Spoedeisend belang
Voor vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure in het kader van artikel 223 Rv Pro alleen plaats, als naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
De vrouw stelt dat de kans van slagen in de bodemprocedure groot is, dat de man draagkracht heeft en dat de man ook al heeft toegezegd om een bijdrage te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar belang bij een voorlopige voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft niet gesteld of aangetoond dat sprake is van een situatie waarin van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. Uit het vonnis in kort geding van 24 april 2025 blijkt immers dat er al een bindende afspraak over de kinderalimentatie is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen te treffen dan ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 februari 2026.