Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09-355566-24, 09-186032-25, 15-152787-25, 13-047087-25, 13-035436-25 en 10-031210-25 (gevoegd); 15-183542-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ontploffing Purmerend; veroordeeld voor wapendelicten, diefstallen, voorbereiding en veroorzaken ontploffing, bedreiging en afpersing

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen een verdachte geboren in 2007, die werd verdacht van meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder het veroorzaken van een ontploffing in Purmerend. Na uitgebreid onderzoek en meerdere zittingen sprak de rechtbank de verdachte vrij van de ontploffing in Purmerend wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid.

De verdachte werd echter wel veroordeeld voor het voorhanden hebben van een gaspistool, diverse diefstallen met geweld, schuldheling, diefstal met valse sleutel, voorbereiding en veroorzaken van een ontploffing bij een woning in Rijnsaterwoude, bedreiging en afpersing. De feiten werden grotendeels samen met anderen gepleegd.

De rechtbank hield rekening met de ernst en de samenhang van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder ernstige psychische problematiek en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Gezien het hoge recidiverisico en de noodzaak van een langdurige intensieve behandeling, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op, met het advies deze in een gespecialiseerde kliniek uit te voeren.

Daarnaast werden diverse schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente en proceskostenveroordelingen. De verdachte werd ook veroordeeld tot 490 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van ontploffing in Purmerend, veroordeeld tot 490 dagen jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel voor overige feiten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-355566-24 (hoofdzaak), 09-186032-25, 15-152787-25, 13-047087-25, 13-035436-25 en 10-031210-25 (gevoegd)
Tul: 15-183542-22
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[de verdachte](hierna te noemen: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment preventief gedetineerd in [forensisch centrum] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 27 februari 2025, 22 mei 2025, 7 augustus 2025, 3 november 2025, 29 januari 2026 (alle pro forma) en 12 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. E.J. Huisman en de raadsvrouw van de verdachte is mr. H.E. Berman, advocaat te Haarlem. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:
Dagvaarding 1 met parketnummer 15-152787-25
op 29 december 2023 samen met anderen, althans alleen, een ontploffing teweeg heeft gebracht bij de woning aan de [adres 2] in Purmerend door daar een explosief te plaatsen, dit aan te steken en tot ontploffing te brengen, met gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen;
Dagvaarding 2 met parketnummer 13-047087-25
Feit 1: in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 augustus 2024 in Amsterdam, in elk geval in Nederland, een gaspistool voorhanden heeft gehad;
Feit 2: op 15 augustus 2024 in Amsterdam samen met anderen sushi en energydrank uit de Albert Heijn heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl bij deze diefstal geweld is gebruikt tegen [benadeelde 1] ;
Dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25
Feit 1: zich in de periode van 20 september 2024 tot en met 24 september 2024 in Amstelveen en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Almere samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan schuld-/opzetheling van een mobiele telefoon;
Feit 2: zich in diezelfde pleegperiode in Groningen en/of Almere en/of Amsterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met een valse sleutel door meerdere geldbedragen te betalen met het Apple Pay account van [benadeelde 2] ;
Dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24 (hoofdzaak)
Feit 1: op 11 oktober 2024 samen met anderen een ontploffing heeft veroorzaakt bij de woning van [benadeelde 3] aan het [adres 3] in Rijnsaterwoude door daar een brandbaar en explosief voorwerp te plaatsen en dit tot ontploffing te brengen, met gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen;
Feit 2: op diezelfde datum samen met anderen [benadeelde 3] heeft bedreigd met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of brandstichting door bij zijn woning op voornoemd adres een explosief tot ontploffing te brengen;
Dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25
op 11 oktober 2024 in Amsterdam en/of Alphen aan den Rijn samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning gelegen aan de [adres 4] in Alphen aan den Rijn.
Dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25
Feit 1: op 30 oktober 2024 samen met anderen op de openbare weg in Rotterdam een telefoon en/of kleding en/of schoenen van [benadeelde 4] heeft afgeperst;
Feit 2: zich op diezelfde dag en plaats samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld van een jas en/of airpods en/of een iPhone 14 van [benadeelde 5] .
Het bij dagvaarding 1 met parketnummer 15-152787-25 ten laste gelegde is gewijzigd op de terechtzitting van 12 maart 2026. De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, op gronden zoals weergegeven in het schriftelijke requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten, met uitzondering van:
  • de gevaarzetting voor personen, aan hem ten laste gelegd bij dagvaarding 1;
  • het stevig vastpakken en duwen van [benadeelde 1] , aan hem ten laste gelegd bij dagvaarding 2 onder feit 2;
  • de gevaarzetting voor personen, aan hem ten laste gelegd bij dagvaarding 4 onder feit 1.
Van deze onderdelen van de tenlasteleggingen heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.
Op specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – op gronden zoals weergegeven in de schriftelijke pleitnotities –namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1, het bij dagvaarding 2 onder feit 1, het bij dagvaarding 5 en het bij dagvaarding 6 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Met betrekking tot het bij dagvaarding 3 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 4 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft zij zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat de verdachte voor eerdergenoemde onderdelen van dagvaarding 2 en 4 partieel moet worden vrijgesproken.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.
3.3
Vrijspraak dagvaarding 1 met parketnummer 15-152787-25 (ontploffing Purmerend)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voldoende bewijs is dat de verdachte als dader kan worden aangemerkt en de vraag of de rechtbank – buiten redelijke twijfel – ervan overtuigd is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank komt op grond van de volgende feiten en omstandigheden tot vrijspraak van het ten laste gelegde.
De feiten
Op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, kan het volgende worden vastgesteld. Op 29 december 2023 omstreeks 20.15 uur heeft iemand een explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht bij de woning gelegen aan de [adres 2] in Purmerend. Als gevolg van de explosie is een gat in de voordeur ontstaan. Door de bewoners van de woning werd een blauwe dop aan de politie overhandigd en er werden resten karton met een zwart etiket aangetroffen. Op basis daarvan kreeg de politie de indruk dat er gebruik was gemaakt van een explosief, vermoedelijk een cobra, die opzettelijk tot ontploffing werd gebracht in het gat van de voordeur waar een brievenbus heeft gezeten. De blauwe dop en kartonsnippers zijn door de politie bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut onderworpen aan DNA-onderzoek. De bemonstering van de snippers was niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Er is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van de verdachte op de blauwe dop.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie gaat uit van het scenario dat de verdachte degene is geweest die het explosief bij de woning aan de [adres 2] tot ontploffing heeft gebracht, dan wel dat hij als medepleger van de ontploffing kan worden aangemerkt. Volgens de officier van justitie had de verdachte een motief, namelijk een conflict met de zoon van de bewoonster. Bij haar standpunt betrekt zij ook dat uit de enkelbandgegevens van de verdachte is gebleken dat hij op 29 december 2023 om 20.14 uur op de [straatnaam] was ter hoogte van perceel 16. De officier van justitie meent voorts dat het op 29 december 2023 naar de zoon van de bewoonster via Snapchat verstuurde audiofragment, waarin door een persoon werd gezegd: “net één dag weer in Purra, en de osso’s worden verlicht”, wijst op betrokkenheid van de verdachte, nu de zoon daarop “rustig [de verdachte] ” terugstuurde en de stem van de berichtgever door een verbalisant ambtshalve werd herkend als die van de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij door twee vrienden was geappt om te chillen. Hij werd door hen bij zijn woning opgehaald en hij is toen via de achtertuin naar buiten gegaan. Kort daarna zag hij van een afstand dat één van zijn vrienden aan het rommelen was bij de voordeur van de desbetreffende woning. Vervolgens riep zijn vriend dat ze moesten rennen en daarna hoorde hij een knal. Daarbij is door de verdediging opgemerkt dat de tuin van de woning van de verdachte grenst aan de steeg waar de woning waar de explosie heeft plaatsgevonden zich bevindt. Volgens de verdediging dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit nu het dossier niets anders bevat dan de vaststelling dat de verdachte, die daar in de buurt woonde, ten tijde van de explosie daar in de buurt was.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het teweegbrengen van de ontploffing bij de woning gelegen aan de [adres 2] .
Uit de bewijsmiddelen volgt aan concrete aanwijzingen voor een eventuele betrokkenheid van de verdachte niet meer dan dat hij ten tijde van de ontploffing in de nabijheid van de betreffende woning is geweest en dat zijn stem door de politie is herkend op het audiobericht dat nadien naar de zoon van de bewoonster is verzonden. Hoewel deze omstandigheden een verdenking jegens de verdachte rechtvaardigen, biedt dit onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat hij degene is geweest die de ontploffing teweeg heeft gebracht of dat hij hieraan een substantiële bijdrage heeft geleverd. De rechtbank kan niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte betrokken is geweest bij het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank kan op basis van het dossier een mogelijke rol of bijdrage van de verdachte in zijn geheel niet vaststellen. Zelfs als het audiobericht afkomstig zou zijn van de verdachte – wat hij ontkent –, kan daaruit niet zijn betrokkenheid als (mede)pleger worden vastgesteld of afgeleid.
Conclusie
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bij dagvaarding 1 ten laste gelegde. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van de andere aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
3.4.1
De door de verdachte bekende feiten
De rechtbank zal voor het bij dagvaarding 2 onder feit 2, het bij dagvaarding 3 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 4 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
Dagvaarding 2 onder feit 2 met parketnummer 13-047087-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2024223487, van de politie eenheid Amsterdam, (doorgenummerd pagina 1 t/m 79).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 maart 2026;
2. het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 1] , opgemaakt op 20 januari 2025 (p. 16-18).
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het duwen van [benadeelde 1] . Nu de officier van justitie en de verdediging tot dezelfde conclusie zijn gekomen, zal de rechtbank dit niet verder motiveren.
Dagvaarding 3 onder feit 1 en feit 2 met parketnummer 13-035436-25
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1300-2024306476, van de politie eenheid Amsterdam, (doorgenummerd pagina 1 t/m 279).
De rechtbank gebruikt voor feit 1 en feit 2 de volgende bewijsmiddelen:
1. het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 14 januari 2025 (p. 243-271);
2. het proces-verbaal van verhoor van aanvullende aangifte van [benadeelde 2] , opgemaakt op 28 september 2024 (p. 15-33);
3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 oktober 2024, met bijlagen (p. 112-131).
Dagvaarding 4 onder feit 1 en 2 met parketnummer 09-355566-24
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024329979, van de politie Eenheid Den Haag
District Alphen aan den Rijn - Gouda, (doorgenummerd pagina 1 t/m 719).
De rechtbank gebruikt voor feit 1 en feit 2 de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 maart 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 3] , opgemaakt op 14 oktober 2024 (p. 1 t/m 3);
3. het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 3] Rijnsaterwoude), opgemaakt op 24 oktober 2024, met bijlagen (p. 143-182).
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit het dossier niet valt op te maken dat door de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dat onderdeel van de tenlastelegging kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
3.4.2
De feiten waartegen verweer is gevoerd
De rechtbank heeft voor het bij dagvaarding 2 onder feit 1, het bij dagvaarding 5 en het bij dagvaarding 6 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Dagvaarding 2 feit 1 met parketnummer 13-047087-25(voorhanden hebben gaspistool)
Het rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er in de ten laste gelegde periode bij de verdachte sprake is geweest van wetenschap en beschikkingsmacht ten aanzien van het gaspistool dat op 15 augustus 2024 is aangetroffen in het tasje van zijn medeverdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij ooit een wapen van een vriend heeft vastgehouden, omdat hij wilde weten hoe het is om een wapen vast te houden en hoe een wapen werkt. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer een half jaar voor de vondst van het wapen een wapen heeft vastgehouden. Hij wist niet dat zijn vriend op die bewuste dag een wapen bij zich in zijn tasje droeg. Hij is – na eerst te zijn weggerend – terug de winkel in gegaan om te proberen het achtergebleven tasje van zijn vriend te pakken te krijgen omdat het een duur tasje was.
Volgens de verdediging kan niet worden gesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van het wapen en kan ook niets worden gezegd over een dag of periode, nu in elk geval niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de aanwezigheid van dit wapen op de dag in de Albert Heijn, en dat hij daarover kon beschikken. Gelet hierop dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.
Het beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling vanwege het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van een dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn wanneer buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op basis van de verklaring van de verdachte en het DNA-onderzoek bewezen dat de verdachte het gaspistool op enig moment in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad.
De rechtbank overweegt dat uit de eigen verklaring van de verdachte blijkt dat hij ongeveer een half jaar voor het aantreffen van het wapen in het tasje het wapen heeft gepakt, vastgehouden en bekeken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte zich op dat moment bewust was van de aanwezigheid van het wapen. Dat de verdachte ook beschikkingshandelingen heeft uitgevoerd, kan worden afgeleid uit het DNA-materiaal van de verdachte dat is aangetroffen op de vulopening van het patroonmagazijn, inclusief patroon. Het patroonmagazijn zat in het wapen en de verdachte heeft dit er dus uit gehaald. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten van het voorhanden hebben in de zin van de Wet wapens en munitie.
Het dossier bevat onvoldoende informatie dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen in het tasje van zijn vriend op 15 augustus 2024, maar dat staat aan een bewezenverklaring voor het voorhanden hebben van het wapen op enig moment in de ten laste gelegde periode niet in de weg.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding 2 onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.2
Dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25(voorbereidingshandelingen teweegbrengen ontploffing [adres 4] )
De feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 11 oktober 2024 samen met zijn medeverdachten in de auto naar de Bijlmer in Amsterdam is gereden, waar zij een zelf gefabriceerd explosief hebben opgehaald. Hierna zijn zij doorgereden naar Alphen aan den Rijn, waar de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] de auto hebben verlaten om het explosief af te steken bij de woning van aangever [benadeelde 6] . Zij zijn onverrichter zake teruggekeerd bij de auto omdat aangever [benadeelde 6] hen toevallig tegenkwam en aansprak. Vervolgens zijn zij naar de woning van [benadeelde 3] in Rijnsaterwoude (dagvaarding 4) gegaan, waar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] het explosief wel tot ontploffing hebben gebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte niet specifiek een explosie op een bepaald adres heeft voorbereid, maar dat hij betrokken was bij het laten afgaan van één explosief en daarvoor voorbereidingen heeft getroffen. De voorbereiding zag dus niet op een specifiek adres, maar gewoonweg op het laten afgaan van een explosief. De middelen die hij en de medeverdachte bij zich hadden (het explosief en de ontsteker) zijn gebruikt voor de explosie in Rijnsaterwoude. Aangezien er maar één explosief was, hadden niet beide feiten gepleegd kunnen worden. Volgens de raadsvrouw blijkt uit het Bristol-arrest (ECLI:NL:HR:2013:BZ1956) dat de middelen bedoeld moeten zijn voor het misdrijf in de tenlastelegging, maar in casu waren de middelen niet specifiek bedoeld voor Alphen en zijn ze vervolgens gebruikt in Rijnsaterwoude. Om deze redenen stelt de verdediging dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Het juridisch kader
Op grond van artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) is er sprake van strafbare voorbereiding van een misdrijf wanneer de dader opzettelijk middelen (voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen) verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft die zijn bestemd tot het begaan van dat misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van strafbare voorbereiding in de zin van artikel 46 Sr Pro (slechts) vereist dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de in dit artikel omschreven voorbereidingshandelingen en -middelen waren gericht en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.
Eveneens naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, wordt met “dat misdrijf” in de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid (in casu het teweegbrengen van een ontploffing), en dus niet op de voorbereiding zelf. Dat betekent dat het object waarop een in artikel 46 Sr Pro genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid.
Het oordeel van de rechtbank
Met inachtneming van deze maatstaf volgt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw niet. Zij overweegt daartoe het volgende.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededaders het explosief in de Bijlmer in Amsterdam hebben opgehaald. Vervolgens hebben zij via Snapchat verdere instructies gekregen en zijn zij met elkaar naar de woning in Alphen aan den Rijn gereden, waar het explosief tot ontploffing moest worden gebracht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de voorbereidingshandelingen en -middelen gericht waren op het teweegbrengen van een ontploffing en dat het opzet van de verdachte was gericht op het begaan van dit misdrijf. De verdachten hadden middelen (een explosief en een activeringsmechanisme) bij zich die bij uitstek bestemd waren voor het begaan van het beoogde grondmisdrijf (namelijk het teweegbrengen van een ontploffing). De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat het de bedoeling was om het explosief bij de betreffende woning tot ontploffing te brengen. Aan de vereisten van artikel 46 Sr Pro is dan ook voldaan.
Het voorgaande betekent dat bewezen is dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing. Dat het explosief vervolgens niet is geplaatst doordat iemand dit heeft verhinderd, maakt niet dat de voorbereiding hiervan niet meer strafbaar is. Evenmin volgt uit het feit dat hetzelfde explosief uiteindelijk op een volgend opgekregen adres (in Rijnsaterwoude) wel tot ontploffing is gebracht niet dat de voorbereidingshandelingen voor een ontploffing in Alphen niet (meer) strafbaar zouden zijn.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat het bij dagvaarding 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.3
Dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25(afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte – gelet op zijn rol – als medepleger van de afpersing en de diefstal met geweld kan worden aangemerkt. Vast staat dat de verdachte bij het incident aanwezig is geweest. Deze vraag heeft ter terechtzitting ook niet ter discussie gestaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, ondanks zijn aanwezigheid bij het incident, niet als medepleger kan worden aangemerkt. Volgens de verdediging is de rol van de verdachte te gering om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en een wezenlijke of significante bijdrage. Daarom dient hij te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Het juridisch kader
Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de daders een strafbaar feit gezamenlijk uitvoeren. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan een strafbaar feit van voldoende gewicht is. Daarbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De betrokkenheid en rol van de verdachte
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot (de betrokkenheid van de verdachte bij) het ten laste gelegde het volgende af.
Uit de aangiftes van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] blijkt dat zij achterna werden gelopen door een groep van acht jongens. Zij werden door de jongens geroepen en moesten van hen stoppen met lopen. Een van de jongens deed een arm om [benadeelde 5] heen en de jongens werden richting een viaduct geduwd. Er werd een vuurwapen – of een voorwerp dat leek op een vuurwapen – getoond en op hen gericht en een paar keer in de groep doorgegeven. Aangever [benadeelde 4] werd geslagen, met de platte hand en met het vuurwapen, en hij moest zijn kleding uittrekken. Vervolgens werd hem opgedragen om te dansen en terwijl hij dat deed, werd hij door verschillende jongens gefilmd. Aangever [benadeelde 4] moest ook zijn Airpods en zijn vest afgeven. Aangever [benadeelde 5] moest zijn jas uittrekken en toen hij deze even later terugkreeg, waren zijn Airpods en mobiele telefoon uit zijn jas weggenomen. De groep van acht jongens is hierna gezamenlijk vertrokken.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten in voldoende mate is komen vast te staan. Op grond van het dossier is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een gezamenlijk optreden door de groep, dat gericht was op de uitvoering van een gezamenlijk plan om beide aangevers te beroven. De rechtbank stelt voorop dat de afpersing en de diefstal met geweld zich niet beperken tot de daadwerkelijke gedwongen afgifte of het daadwerkelijk afpakken van de goederen, maar dat deze begint met het (ter uitvoering van dat gezamenlijke plan) achterna lopen, het tot een halt roepen van de aangevers en het meevoeren van de aangevers onder het viaduct, waar de feitelijke beroving vervolgens plaatsvond. De verdachte was onderdeel van deze groep. De groep is de hele avond samen opgetrokken; zij waren voorafgaand, tijdens en na de beroving met een groep van acht jongens bijeen.
Uit de verklaringen van aangevers volgt niet dat slechts een paar jongens een actieve bijdrage leverden aan de gezamenlijke handelingen en dat er één of meer jongens alleen maar toekeken. Dat van veel van de door de aangevers beschreven gedragingen niet is komen vast te staan welke van de jongens in de groep die heeft verricht staat niet aan een bewezenverklaring van het medeplegen daarvan in de weg. De verdachte was niet alleen onderdeel van de groep, hij heeft ook toegekeken hoe aangever [benadeelde 4] werd geslagen en onder druk zijn spullen moest afstaan. De verdachte heeft hierdoor de groep getalsmatig versterkt en mede daardoor de druk op de aangevers om hun bezittingen af te staan verhoogd. Daar komt nog bij dat de verdachte uiteindelijk een deel van de buit onder zich kreeg, waarmee hij vervolgens is weggelopen. Met andere woorden, de verdachte heeft zich pas van de groep gedistantieerd op het moment dat aangever [benadeelde 4] al meermaals was geslagen en (een deel van) de buit (het vest) al in bezit was.
Met de officier van justitie gaat de rechtbank uit van het scenario dat het vest waarmee de verdachte de plaats van handeling heeft verlaten het vest van aangever [benadeelde 4] betrof. Pas op de zitting heeft de verdachte een verklaring afgelegd over het vest waarmee hij op beelden is te zien, namelijk dat het een vest is van medeverdachte [medeverdachte 2] . Deze verklaring wordt niet ondersteund door bewijsmiddelen in het dossier. Op de beelden van het incident is immers te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] nog een jas draagt. Daarmee is de verklaring van de verdachte over de herkomst van het vest dat hij blijkens de beelden bij zich had niet aannemelijk geworden. De rechtbank schuift deze verklaring dan ook terzijde.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om beide aangevers te beroven van zodanig gewicht is dat van medeplegen van de afpersing en de diefstal met geweld kan worden gesproken.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding 2 met parketnummer 13-047087-25
1
hij in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 augustus 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Umarex, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
,voorhanden heeft gehad;
2
hij op 15 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, twee pakken sushi en een blikje energydrank, die aan Albert Heijn (filiaal Foodplaza aan de Nieuwezijds
Voorburgwal), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich los te trekken uit de greep van die [benadeelde 1] en weg te rennen;
Dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25
1
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 20 september 2024 tot en met 24 september 2024 te Amsterdam en Groningen en Almere, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (iPhone 14 midnight), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij
optijdstippen gelegen in de periode van
23september 2024 tot en met 24 september 2024 te Groningen en Almere en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere geldbedragen (te weten 1,65 Euro en 3,00 Euro en 2,30 euro en 3,10 Euro en 3,15 Euro en 29,40 Euro en 17,00 Euro en 39,75 Euro en 48,00 en 21,00 Euro),
dieaan [benadeelde 2] toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen geldbedragen onder
hunbereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- op 23 september 2024 te Groningen een busrit (van de halte Lubeckweg naar hoofdstation Groningen) van 1,65 Euro en
- op 23 september 2024 te Groningen een treinreis van hoofdstation Groningen naar Amsterdam centraal van 29,90 Euro en
- op 23 september 2024 te Almere betalingen van 3,00 Euro en 2,30 euro en 3,10 Euro en 3,15 Euro bij een snoepautomaat op het station Almere centraal en
- op 24 september 2024 te Amsterdam betalingen van 17,00 Euro en 39,75 Euro bij McDonalds (gevestigd op de Nieuwendijk) en
- op 24 september 2024 te Amsterdam betalingen van 48,00 euro en 21,00 Euro bij coffeeshop Kadinsky (gevestigd in de Zoutsteeg), te betalen met een Apple Pay account, middels een telefoon in bezit van hem, verdachte, en zijn mededaders, tot welk gebruik hij, verdachte, en zijn mededaders niet gerechtigd waren;
Dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24
1
hij op 11 oktober 2024 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbaar en explosief voorwerp
voorde woning, gelegen [adres 3] middels het aansteken van een lont te ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijldaarvan
- gemeen gevaar voor de voornoemde woning, [adres 3] , en de in die woning aanwezige goederen te duchten was;
2
hij op 11 oktober 2024 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem, tezamen en in veren
iging met anderen, [benadeelde 3] en andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een brandbaar en explosief voorwerp
voorde voordeur van de woning, gelegen [adres 3] te ontsteken en tot ontploffing te brengen.
Dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25
hij op 11 oktober 2024 te Amsterdam en Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij de woning gelegen aan de [adres 4] in Alphen aan den Rijn, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, opzettelijk voorwerpen en stoffen, te weten
- een plattegrond en adres en navigatiesysteem en communicatiemiddelen en gegevensdragers en
duct tape, en
- een explosief bevattende een springstof en
- een activeringsmechanisme,
kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25
1
hij op 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op de Achterweg, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en kleding, die aan die [benadeelde 4] toebehoorden door die [benadeelde 4]
- te omsingelen en
- meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam en
- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en te richten op die [benadeelde 4] en dat (op een) vuurwapen (gelijkende voorwerp) rond te laten gaan en
- ( hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [benadeelde 4] en
- de woorden toe te voegen: "Geef je telefoon" en "Doe je kleren uit" en "Ga dansen, nu" en "als je naar de politie gaat, dan ga je dood", terwijl die [benadeelde 4] met dat (op een) vuurwapen (gelijkende voorwerp) werd geslagen op het hoofd en op het lichaam en
- te filmen met een mobiele telefoon;
2
hij op 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op de Achterweg, tezamen en in vereniging met anderen, airpods en een Iphone die aan [benadeelde 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- die [benadeelde 5] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), te tonen en dit (op een) vuurwapen (gelijkende voorwerp), te richten op die [benadeelde 5] en
- de woorden toe te voegen dat hij, [benadeelde 5] , zijn jas uit moest trekken en zijn codes moest geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf en maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 490 dagen met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) zal worden opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte op te leggen. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat zij onvoldoende vertrouwen heeft in de doelmatigheid van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Zij meent bovendien dat de adviezen van de deskundigen onvoldoende aansluiten bij wat er tot nu toe met de verdachte is geprobeerd, de ultimum remedium gedachte en de huidige PIJ-problematiek. In plaats daarvan verzoekt de raadsvrouw primair om een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte op te leggen. Hierbij zou een langdurige, eventueel klinische, behandeling als voorwaarde kunnen worden gesteld. Subsidiair heeft zij als alternatief een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van drie jaren voorgesteld. Mocht de rechtbank toch overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, dan verzoekt de raadsvrouw uiterst subsidiair om een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en om de maatregel zo snel mogelijk in te laten gaan.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks van verschillende ernstige strafbare feiten, gepleegd in een periode van ongeveer drie maanden. De feiten omvatten het voorhanden hebben van een gaspistool, twee diefstallen met geweld, schuldheling, diefstal met valse sleutel, voorbereiding van een ontploffing, het veroorzaken van een ontploffing, bedreiging en afpersing. Met uitzondering van het voorhanden hebben van een gaspistool, zijn alle feiten samen met anderen gepleegd.
Met name de feiten waarbij geweld en/of wapens zijn gebruikt, wegen zwaar voor de rechtbank.
De verdachte heeft op 11 oktober 2024 samen met zijn medeverdachten voorbereidingshandelingen getroffen voor het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Alphen aan den Rijn. Dat het uiteindelijk niet tot een ontploffing gekomen is, is enkel en alleen te danken aan het feit dat het slachtoffer de verdachten bij de woning heeft aangesproken omdat hij het niet vertrouwde. Vervolgens zijn de verdachten doorgereden naar een andere woning in Rijnsaterwoude waar zij het explosief wél hebben laten afgaan. Bij deze ontploffing zijn de voordeur en meerdere ruiten van de woning vernield. Deze gebeurtenissen hebben voor de bewoners van beide woningen ingrijpende gevolgen en veel impact gehad. Met het plaatsen van het explosief heeft de verdachte een essentiële en bepalende rol gespeeld bij de ontploffing en ook bij de voorbereiding daarvan. De verdachte heeft laten zien dat hij zich laat inschakelen door anderen om criminele opdrachten uit te voeren, zonder stil te staan bij de gevolgen die zijn gedrag kan hebben, voor anderen en voor zichzelf.
Twee weken later heeft de verdachte zich samen met zijn medeverdachten en op de openbare weg schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld. De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een intimiderende wijze druk gezet op de slachtoffers. Zo is er een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op hen gericht en is het slachtoffer [benadeelde 4] daar meermaals mee geslagen. Daarnaast heeft hij zich moeten uitkleden en gedwongen moeten dansen, terwijl hij werd gefilmd. Door zo te handelen hebben de verdachte en de medeverdachten een zeer beangstigende en vernederende situatie voor de slachtoffers gecreëerd. De slachtoffers hebben bij de politie verklaard dat het incident veel indruk op hen heeft gemaakt en dat zij als gevolg hiervan allebei hulp hebben moeten zoeken. Daarbij komt dat dit soort feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving zorgt.
De strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd hebben materiële schade, geestelijk letsel, angst en hinder bij de slachtoffers veroorzaakt. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen over de hoeveelheid en ernst van de feiten die de verdachte in korte tijd heeft gepleegd en het ogenschijnlijke gemak waarmee hij zich heeft ingelaten met, dan wel door anderen heeft laten meeslepen in, het plegen van deze strafbare feiten. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 januari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat hij in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het strafblad volgt dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Persoon van de verdachte
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende rapporten en adviezen die over
de verdachte zijn opgesteld:
  • het Pro Justitia rapport van 22 juli 2025, opgesteld door drs. M.H. Bakkes, GZ-psycholoog en drs. T. den Boer, psychiater (hierna tezamen: de deskundigen);
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 6 maart 2026.
De bevindingen uit deze rapporten en de mondelinge toelichting van de deskundigen van de
Raad en de reclassering ter terechtzitting worden hierna, voor zover van belang, besproken.
Pro Justitia-rapport
In de rapportage wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van ernstige hechtingsproblematiek, te classificeren als een reactieve hechtingsstoornis, hieraan
gerelateerde problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling, en trauma-gerelateerde problematiek, te classificeren als een posttraumatische stressstoornis. Daarnaast is sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis. Hoewel er weinig zicht is verkregen op de beleving van de verdachte, kan op basis van de levensloop en de observaties tijdens het onderzoek gesproken worden van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Hieraan liggen het basaal wantrouwen (samenhangend met de onveilige hechting) en de traumatische ervaringen in het leven ten grondslag. Er is onvoldoende zicht verkregen op zijn mentaliserend vermogen, zijn zelfbeeld, zijn gewetensontwikkeling en zijn vermogen om verantwoordelijkheid te dragen. Samenhangend met de problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling, wordt vermoed dat er ook op deze terreinen problemen bestaan. Voornoemde diagnostische beschrijving betreft een beschrijving die gebaseerd is op een patroon van functioneren dat reeds lang bestaat en (deels) haar oorsprong vindt in de vroege kindertijd. Deze beschrijving is dan ook van toepassing op de periode van de ten laste gelegde feiten. Vanwege de beperkte medewerking aan het onderzoek van de verdachte onthouden de deskundigen zich van een advies ten aanzien van de doorwerking van de vastgestelde stoornissen in het ten laste gelegde.
Uit het rapport volgt dat het niet mogelijk is om een eventuele rol van de geconstateerde psychopathologie in de ten laste gelegde feiten te onderbouwen, maar dat desondanks een hoog risico van gewelddadig gedrag wordt gezien. Dit hangt volgens de deskundigen samen met de langdurig bestaande problematiek van de verdachte, onder andere tot uiting komend in wantrouwen jegens anderen, een neiging tot zelfverdediging, geweld-bevorderende cognities en snelle affectieve ontregeling met verlies van grip op gedrag.
Bij de verdachte is sprake van ernstige en duurzame problematiek, waarvoor een langdurig orthopedagogisch en psychotherapeutisch behandeltraject binnen een stabiele en veilige omgeving met betrouwbare volwassenen noodzakelijk wordt geacht. De verdachte mist probleeminzicht en stelt zich niet meewerkend op ten aanzien van interventies, zoals ook in het (recente) verleden is gebleken. De problematiek van de verdachte gaat gepaard met veiligheidsrisico’s, zowel jegens hem als van hem uitgaande. Dit betekent dat een beveiligde context noodzakelijk is om het behandeltraject vorm te geven.
Gezien het eerder veronderstelde hoge risico op recidive, het feit dat de verdachte zich in het verleden meermaals onttrokken heeft aan behandeling en het feit dat niet duidelijk is wat het psychotherapeutisch effect van het bewerken van de afweer zal hebben op de klachten van de verdachte, dient de behandeling plaats te vinden binnen een veilige en gestructureerde setting. Dit alles maakt dat de deskundigen voor het noodzakelijk geachte, intensieve en langdurige behandeltraject enkel het juridisch kader van een
onvoorwaardelijke PIJ-maatregel reëel achten.
Ter terechtzitting hebben de deskundigen in aanvulling op hun advies het volgende naar voren gebracht. Naast het in kaart brengen van de mogelijkheden en de beperkingen is ook de vraag hoe we kijken naar de toekomst, de prognose en wat is er nodig om dat zo gunstig mogelijk te laten verlopen. De vraag is dan niet, welke maatregel past daarbij, maar wat is er nodig inhoudelijk, behandeltechnisch. Een behandeling bij [instelling] in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel komt onvoldoende tegemoet aan de problematiek en de belangen van de verdachte vanwege de langdurige behandelnoodzaak. Daarnaast hebben de deskundigen het belang van de positieve interactie en sterke band tussen de verdachte en zijn broer onderstreept. De deskundigen achten het raadzaam om binnen de behandeling aandacht te hebben voor de systeemproblematiek, maar ook gebruik te maken van de sterke band tussen de broers. Het zou schadelijk zijn voor de verdachte als er geen contact is met zijn broer.
De Raad
Uit het advies volgt dat de Raad zich kan vinden in de conclusie van het Pro Justitia rapport dat de verdachte een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft. De vastgestelde problematiek is ernstig en bestaat langdurig. Er is sprake van een forensisch profiel in de vorm van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met onderliggende trauma- en hechtingsproblematiek. De Raad sluit zich ook aan bij de risicotaxatie voor zowel recidive van gewelddadig
delictgedrag als anderszins delinquent gedrag.
De Raad komt tot de conclusie dat de mogelijkheden binnen strafrechtelijke kaders met een plaatsing elders dan in de JJI uitgeput zijn. Een voorwaardelijke detentie, GBM of behandeling binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zijn daarmee geen mogelijkheid meer. De Raad had het de verdachte gegund dat er eerder passende behandeling was ingezet, door behandelaren die hij had kunnen vertrouwen en op een plek waar hij zich veilig had kunnen voelen. Dergelijke stappen zijn echter op dit moment niet meer in te halen. De problematiek is inmiddels te fors, te ver ontwikkeld en er is een veelheid aan strafbare feiten.
Als de Raad kijkt naar wat er nu nodig en passend is aan behandeling, zijn de ambulante en lichtere/meer open residentiele mogelijkheden niet meer haalbaar. Die plekken kunnen ook niet de langdurige stabiliteit en basisveiligheid geven die de verdachte wel nodig heeft om de behandeling aan te kunnen gaan. Kijkend naar wat de verdachte nodig heeft om de kans op herhaling voldoende te verkleinen en om zich veilig en positief te ontwikkelen, is de Raad ook van mening dat een langdurige behandeling binnen de JJI het meest passend is. Het is belangrijk dat de verdachte voor een langere periode op een vaste behandelplek zal verblijven met vaste behandelaren en begeleiders.
Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel binnen de JJI biedt op papier de beste omstandigheden. Het biedt als enige zowel de juiste mate van beveiliging als de juiste behandelintensiteit en er kan vanwege het verlengbare karakter enkel via deze weg een langdurige (meer dan twee jaar) verplichte behandeling worden geboden, indien de benodigde behandeling stagneert of langer nodig is om het recidiverisico voldoende te laten afnemen. De Raad komt daarmee, met inachtneming van de PIJ-wegingslijst, niet tot een andere conclusie dan de deskundigen in het Pro Justitia rapport. In de praktijk ziet de Raad dat de verdachte zich niet veilig voelt in de JJI en dat het wantrouwen gedurende het langdurige voorarrest niet is afgenomen. De Raad is er daarom sceptisch over of de verdachte zich binnen deze setting zal kunnen overgeven aan de behandeling, of dat hij de gehele PIJ-maatregel zijn overlevingsmechanisme blijft vasthouden. De Raad vreest dat het klimaat op langverblijfgroepen binnen de JJI bij de verdachte zorgt voor een versterking van zijn forensische en grensoverschrijdende gedrag en hem steeds laat teruggrijpen op de coping die hij kent en die hem in eerdere onveilige situaties in zijn leven heeft geholpen te overleven. Het karakter van een JJI is meer forensisch, gericht op beheersing en op behandeling van de gedragsproblematiek, terwijl de verdachte ook baat zou kunnen hebben bij een kleinschaligere en ‘zachtere’ omgeving om zijn muur te laten zakken. Tegelijkertijd is het ook de enige plek die de mogelijkheden heeft voor deze lange adem, vanwege de duur van de maatregel en de mogelijkheden tot verlenging. Alternatieven zijn er zoals gezegd ook niet. De Raad vindt een onvoorwaardelijke PIJ dan ook niet het beste advies, maar wel het minst slechte. Het is in het geval van de verdachte kiezen tussen kwaden.
De jeugdreclasseringTer terechtzitting heeft de jeugdreclasseerder zich aangesloten bij het standpunt van de Raad.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank stelt vast dat de deskundigen geen uitspraak hebben kunnen doen over de toerekenbaarheid van de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte. Gelet op wat de deskundigen over de persoon van de verdachte hebben gerapporteerd, is het naar het oordeel van de rechtbank echter aannemelijk dat de problematiek heeft doorgewerkt in het maken van keuzes door de verdachte en op die manier heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het ten laste gelegde.
De rechtbank vindt de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank zal bij het bepalen van de op te leggen straf rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Strafmodaliteit en strafmaatGelet op de veelheid, aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de feiten met meerdere daders zijn gepleegd en dat de verdachte een explosief bij een woning heeft geplaatst. Ook de omstandigheden waaronder de beroving is gepleegd, wegen zwaar mee. Zoals reeds overwogen tilt de rechtbank ook zwaar aan het feit dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de verdachte een lange periode in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Verder houdt de rechtbank rekening met de toepassing van artikel 63 Sr Pro, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en met hetgeen de deskundigen over zijn verleden en ontwikkeling naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 490 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank begroot het aantal dagen aftrek op 490 dagen.
PIJ-maatregel
Op grond van artikel 77s Sr kan aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, een PIJ-maatregel worden opgelegd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.
De psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten aan diverse stoornissen leed, waaronder een reactieve hechtingsstoornis, een posttraumatische-stressstoornis en een normoverschrijdend-gedragsstoornis. Volgens de deskundigen is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Daarmee is aan het eerste wettelijke vereiste voldaan.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat (een deel van) de feiten waarvoor de maatregel wordt opgelegd misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, of die vallen onder de feiten genoemd in artikel 77s, eerste lid, onder a, Sr. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
Ook dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en in aanmerking genomen wat de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico, oordeelt de rechtbank dat ook aan deze derde voorwaarde is voldaan.
Ten slotte dient de maatregel in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank acht op basis van wat de deskundigen in hun rapportage en ter terechtzitting hebben toegelicht de PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank begrijpt dat de verdachte het liefst geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd krijgt en zij realiseert zich dat de maatregel een uiterst middel is. De rechtbank zal uitleggen waarom zij de PIJ-maatregel toch onvoorwaardelijk op zal leggen en ook waarom zij – met de deskundigen – van oordeel is dat oplegging van deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte is.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over dat vanwege de ernst en duurzaamheid van de psychopathologie bij de verdachte een langdurig orthopedagogisch en psychotherapeutisch behandeltraject binnen een stabiele en veilige omgeving noodzakelijk is. Ook ziet de rechtbank dat de verdachte vanwege de complexiteit van de problematiek een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft, met een sterk gestructureerde begeleiding en strakkere kaders dan een in tijd beperkte klinische of een ambulante behandeling kan bieden.
De ernstige en complexe problematiek van de verdachte maken daarnaast een hoog beveiligingsniveau en een intensief begeleidingskader noodzakelijk, omdat de verdachte probleeminzicht mist en hij zich onvoldoende meewerkend opstelt ten aanzien van interventies. De problematiek van de verdachte gaat bovendien gepaard met veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat een beveiligde context noodzakelijk is om het behandeltraject vorm te geven.
De rechtbank weegt mee dat de reeds ingezette hulpverlening en interventies, zowel binnen het civiel- als strafrechtelijk kader (waaronder een ondertoezichtstelling, een gesloten jeugdzorgplaatsing en een jeugdreclasseringsmaatregel) niet hebben kunnen voorkomen dat de verdachte is overgegaan tot het plegen van een reeks ernstige strafbare feiten. De rechtbank concludeert net als de deskundigen en de Raad dat de mogelijkheden binnen het civiele kader niet toereikend zijn gebleken en ook dat de mogelijkheden binnen een strafrechtelijk kader met een plaatsing elders dan in een JJI zijn uitgeput of ongeschikt zijn.
Al deze omstandigheden maken ook dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel, waarvan de proeftijd in duur tot twee jaar beperkt is, alsook de klinische behandeling die in duur beperkt is, niet toereikend is.
De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene en in lijn met het advies van de deskundigen, van oordeel dat de klinische setting die een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt, thans het enige geschikte traject is om de verdachte die behandeling en structuur te bieden die hij nodig heeft. De maatregel biedt zowel de juiste mate van beveiliging als de juiste behandelintensiteit, en kan vanwege het verlengbare karakter een langdurige (verplichte) behandeling bieden. Binnen de kaders van de PIJ-maatregel kan de verdachte starten met de behandeling die hij hard nodig heeft. Dit is in het belang van zijn eigen ontwikkeling, zijn toekomst en van de maatschappij. Daarmee is ook aan het vierde wettelijke vereiste voldaan. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte opleggen.
De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de verdachte de motivatie die hij ter zitting heeft laten zien om een mooie toekomst tegemoet te gaan, zal blijven vasthouden. Zij hoopt dat hij heeft kunnen ervaren dat hij niet alleen is, maar dat hij een stevig vangnet heeft van mensen die om hem geven en hem zullen steunen bij dit traject.
De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, niet te boven gaat.
Uitvoering maatregel en advies plaatsing van tenuitvoerlegging
Over de uitvoering van de PIJ-maatregel merkt de rechtbank het volgende op. Binnen het kader van de PIJ-maatregel kan worden bekeken waar het meest passend is om de maatregel ten uitvoer te leggen. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs in een JJI te zijn, maar dat kan ook op een andere plek.
De deskundigen hebben aangegeven dat voor een geslaagde behandeling van de verdachte een kundig team, binnen een stabiele en veilige setting, met weinig personele wisselingen, nodig is. Gelet op zijn problematiek heeft de verdachte een plek nodig waar hij stabiliteit, voorspelbaarheid en rust ervaart. De Raad heeft naar voren gebracht dat de verdachte baat zou kunnen hebben bij een kleinschaligere en ‘zachtere’ omgeving dan een JJI om zijn muur te laten zakken. De rechtbank verwacht dat dit een positief effect zal hebben op de behandeling en daarmee op de effectiviteit van de maatregel. Daarnaast hebben de deskundigen het belang van de positieve interactie tussen de verdachte en zijn broer (die op dit moment in [instelling] verblijft) onderstreept. Door de deskundigen wordt raadzaam geacht om binnen de behandeling aandacht te hebben voor de systeemproblematiek, maar zeker ook gebruik te maken van de sterke band tussen de broers. Hierbij hebben zij aangedragen dat kan worden gedacht aan MDFT-therapie.
Mede gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank het Ministerie van Justitie en Veiligheid adviseren om de verdachte in het kader van de uitvoering van de PIJ-maatregel in [instelling] te plaatsen. Daarnaast wenst de rechtbank te benadrukken dat het van groot belang is dat er gedurende de uitvoering van de PIJ-maatregel voortdurend en actief aandacht is en blijft voor de band tussen de twee broers.

7.Vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1
De vordering van [benadeelde 2] (dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25)
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 643,35, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 475,00 voor de aanschaf van een nieuwe Apple iPhone en € 168,35 voor de door de verdachten gedane Apple Pay transacties. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
7.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 168,35. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.1.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is tot een bedrag van € 168,35. Zij heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
7.1.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het gevorderde bedrag van
€ 475,00 voor de aanschaf van een nieuwe iPhone de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Deze gevorderde kosten zijn geen schade die de benadeelde partij heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de Apple Pay transacties, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 168,35.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 168,35, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 168,35, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit zal geen gijzeling worden toegepast.
7.2
De vordering van [benadeelde 3] (dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24)
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 34.230,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 33.230,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
7.2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade geheel kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van
€ 11.267,30 en voor het overige heeft zij geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
7.2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om - ook in het kader van het gelijkheidsbeginsel - gelijkluidend te beslissen als in de zaken van de medeverdachten. In die zaken zijn de materiële posten alarminstallatie, cruisevakantie en administratiekosten niet-ontvankelijk verklaard vanwege het gebrek aan onderbouwing, dan wel rechtstreeks verband.
7.2.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schadeVoor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘alarminstallatie’, ‘alarminstallatie uitbreiding’ en ‘administratiekosten’ (in totaal een bedrag van € 9.307,95) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten die de benadeelde partij heeft opgevoerd onder de post ‘cruise/vakantie moeten annuleren’ (een bedrag van € 12.657,00) geen rechtstreekse schade betreffen. Deze schade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘raambekleding’, ‘markiezen’,
‘trapbekleding’ en ‘reparatie vloer’ acht de rechtbank de vordering voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij deze schade (ter hoogte van € 11.267,30) rechtstreeks heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Immateriële schadeOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is voorts voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank begrijpt dat de vordering is gegrond op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en ernst van de normschending door de verdachte mee dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam. Gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering heeft aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade in het geheel toewijzen tot een bedrag van € 1.000,00.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 12.267,30, bestaande uit € 11.267,30 aan materiële schade en € 1.000,00, aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 12.267,30, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit zal geen gijzeling worden toegepast.
7.3
De vordering van [benadeelde 6] en [benadeelde 7]
(dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25)
[benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door mr. M. de Klerk, hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 1.397,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Tot slot vorderen zij vergoeding van de proceskosten ter hoogte van € 135,00.
7.3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de gevraagde vrijspraak.
7.3.3
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder a BW heeft de benadeelde, voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Gelet op de intentie van de verdachte en de gevolgen daarvan zoals door de benadeelde partijen is toegelicht, is sprake van de in artikel 6:106, aanhef en onder a BW bedoelde situatie. De beoogde ontploffing was er immers op gericht om opzettelijk schrik en angst te veroorzaken bij de benadeelde partijen en daarmee ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen. Daarmee heeft de verdachte met het vereiste oogmerk, als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel, gehandeld. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 1.397,50.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op € 135,00. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.397,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit zal geen gijzeling worden toegepast.
7.4
De vordering van [benadeelde 4] (dagvaarding 6 feit 1 met parketnummer 10-031210-25)
[benadeelde 4] , bijgestaan door mr. C.M. Diaz, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van
€ 4.990,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 490,78 aan materiële schade en € 4.500,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk toewijsbaar is tot een bedrag van € 354,80 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de gevraagde vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht om gelijkluidend te beslissen als in de zaak van de broer van de verdachte, waarbij de vordering hoofdelijk tot een bedrag van € 3.490,78 is toegewezen.
7.4.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is vastgesteld dat aan de benadeelde partij door het bij dagvaarding 6 onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is de gevorderde materiële schade voldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 490,78.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.
Het gevorderde bedrag van € 4.500,00 is hoger dan wat doorgaans in min of meer vergelijkbare gevallen aan vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen. Gelet op de toelichting op de vordering en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van in totaal € 3.000,00, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 3.490,78, bestaande uit € 490,78 aan materiële schade en € 3.000,00, aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 3.490,78, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit zal geen gijzeling worden toegepast.
7.5
De vordering van [benadeelde 5] (dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25,
feit 2)
[benadeelde 5] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] en bijgestaan door [naam 2] , medewerker van Univé Rechtshulp, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van
€ 1.823,16, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 623,16 aan materiële schade en € 1.200,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
7.5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.5.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de gevraagde vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank gelet op de toewijzing van de vordering in de zaak van de broer van de verdachte.
7.5.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 623,16.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 1.200,00.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.823,16, bestaande uit € 623,16 aan materiële schade en € 1.200,00, aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.823,16, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 5] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het strafbare feit zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 6 februari 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 15-183542-22 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem op 29 mei 2024 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat er onder voornoemd parketnummer geen sprake is van een voorwaardelijke veroordeling.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tenuitvoerlegging.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 15-183542-22, omdat er onder dit parketnummer geen sprake is van een voorwaardelijke veroordeling.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 46, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 157, 285, 311, 312, 317 en 417bis Sr;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 1 met parketnummer 15-152787-25 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:
  • dagvaarding 2 met parketnummer 13-047087-25 onder feit 1 en feit 2; en
  • dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25 onder feit 1 en feit 2; en
  • dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24 onder feit 1 en feit 2; en
  • dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25; en
  • dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25 onder feit 1 en feit 2;
ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding 2 met parketnummer 13-047087-25
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
ten aanzien van feit 2:
diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van schuldheling;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25
ten aanzien van feit 1:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
490 (VIERHONDERDNEGENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht
(490 dagen), voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
maatregel
legt de verdachte op:
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigenen adviseert deze maatregel ten uitvoer te leggen in [instelling] ;
de vorderingen van de benadeelde partijen
wijst de vordering tot schadevergoeding van de
benadeelde partij [benadeelde 2](dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25) gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van
€ 168,35, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de
benadeelde partij [benadeelde 3]
(dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24) gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 12.267,30, bestaande uit € 11.267,30 aan materiële schade en € 1.000,00, aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
wijst de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partijen [benadeelde 6] en [benadeelde 7](dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25) hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.397,50 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op
€ 135,00, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
wijst de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde 4](dagvaarding 6 feit 1 met parketnummer 10-031210-25) gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 3.490,78, bestaande uit € 490,78 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
wijst de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde 5](dagvaarding 6 feit 2 met parketnummer 10-031210-25) gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.623,16 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] ;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
de schadevergoedingsmaatregelen
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 168,35, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 september 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2] ;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.267,30, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.397,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.490,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.623,16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 5] ;
bepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn
betalingsverplichtingen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de
verdachte of door zijn mededaders aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen
aan de staat in zoverre doet vervallen en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging 15-183542-22
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. C.M. Koole, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Dagvaarding 1 met parketnummer 15-152787-25
hij op of omstreeks 29 december 2023 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door (een) brandbaar en/of explosief voorwerp/materiaal tegen de deur en/of in de brievenbus van een woning, gelegen aan de [adres 2] , te plaatsen en deze
(vervolgens) aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de voornoemde woning en/of de
inboedel van die woning en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, te weten voor de in die
woning aanwezige personen (onder andere [naam 3] en/of [naam 4] ) en/of passerende voetgangers, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
Dagvaarding 2 met parketnummer 13-047087-25
1
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 augustus 2024 te
Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Umarex, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 15 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee pakken sushi en/of een blikje energydrank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (filiaal Foodplaza aan de Nieuwezijds
Voorburgwal), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich (meermalen) los te trekken uit de greep van die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 1] tegen het lichaam te duwen en/of weg te rennen;
Dagvaarding 3 met parketnummer 13-035436-25
1
hij op één of meer tijdstip(en) gelegen in of omstreeks de periode van 20 september 2024 tot en met 24 september 2024 te Amstelveen en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een mobiele telefoon (iPhone 14 midnight), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij in één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 20 september 2024 tot en met 24 september 2024 te Groningen en/of Almere en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) meerdere geldbedragen (te weten 1,65 Euro en/of 3,00 Euro en/of 2,30 euro en/of 3,10 Euro en/of 3,15 Euro en/of 29,40 Euro en/of 17,00 Euro en/of 39,75 Euro en/of 48,00 en/of 21,00 Euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen onder
zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door
- op of omstreeks 23 september 2024 te Groningen in een busrit (van de halte Lubeckweg naar hoofdstation Groningen) van 1,65 Euro en/of
- op of omstreeks 23 september 2024 te Groningen een treinreis van hoofdstation Groningen naar Amsterdam centraal van 29,90 Euro en/of
- op of omstreeks 23 september 2024 te Almere één of meer betalingen van 3,00 Euro en/of 2,30 euro en/of 3,10 Euro en/of 3,15 Euro bij een snoepautomaat op het station Almere centraal en/of
- op of omstreeks 24 september 2024 te Amsterdam één of meer betalingen van 17,00 Euro en/of 39,75 Euro bij McDonalds (gevestigd op de Nieuwendijk) en/of
- op of omstreeks 24 september 2024 te Amsterdam één of meer betalingen van 48,00 euro en/of 21,00 Euro bij coffeeshop Kadinsky (gevestigd in de Zoutsteeg), te betalen met een Apple Pay account, middels een telefoon in bezit van hem, verdachte, en/of zijn mededaders, tot welk gebruik hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
Dagvaarding 4 met parketnummer 09-355566-24
1
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door (een) brandbaar en/of explosief voorwerp/materiaal (met duct tape) aan de voordeur van de woning (gelegen [adres 3] ) te bevestigen en dit (vervolgens) middels het aansteken van een lont te ontsteken en tot ontploffing te brengen en daarvan
- gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres 3] ) en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen/omringende woningen/panden en de in die naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen, en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning ( [adres 3] ) aanwezige personen en/of de in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige personen en/of passerende voetgangers, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
2
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Rijnsaterwoude, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in verenging met anderen, [benadeelde 3] en/of andere personen heeft bedreigd met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of brandstichting door (een) brandbaar en/of explosief voorwerp/materiaal (met duct tape) aan de voordeur van de woning (gelegen [adres 3] ) te bevestigen en (vervolgens) te
ontsteken en tot ontploffing te brengen;
Dagvaarding 5 met parketnummer 09-186032-25
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te Amsterdam en/of Alphen aan den Rijn, in elk
geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing (bij de woning gelegen aan de [adres 4] in Alphen aan den Rijn), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor
bewoner(s) van de (aangrenzende) woning(en) en/of een of meer andere perso(o)n(en) te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen te weten (onder meer)
- een plattegrond en/of adres en/of navigatiesysteem en/of
communicatiemiddel(en) en/of gegevensdragers en/of notities en/of duct-tape, en/of
- een explosief bevattende een springstof, althans een explosief materiaal, en/of
- een ontsteker/activeringsmechanisme,
althans één of meer (grondstoffen voor) materia(a)l(en) geschikt om, al dan niet in
combinatie met elkaar, een ontploffing teweeg te brengen, (kennelijk) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding 6 met parketnummer 10-031210-25
1
hij op of omstreeks30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op de Achterweg, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of kleding en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 4] en/of een derde toebehoorde(n)
door die [benadeelde 4]
- te omsingelen en
- meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [benadeelde 4] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp rond te laten gaan en
- ( hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [benadeelde 4] en
- de woorden toe te voegen: "Geef je telefoon" en/of "Doe je kleren uit" en "Ga dansen, nu" en/of "als je naar de politie gaat, dan ga je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl die [benadeelde 4] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp werd geslagen op het hoofd en op het lichaam en
- te filmen met een mobiele telefoon;
2
hij op of omstreeks 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, op/aan de Achterweg, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas en/of airpods en/of een Iphone 14 in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 5] , gepleegd met het
oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde 5] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en dit vuurwapen, althans dit op een vuurwapen gelijkende voorwerp, te richten op die [benadeelde 5] en
- de woorden toe te voegen dat hij, [benadeelde 5] , zijn jas uit moest trekken en zijn codes moest geven, althans woorden van gelijke aard en strekking.