Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
[verzoeker]
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste in 2021 en opvolgende in 2024 en 2026. Alle aanvragen zijn afgewezen en de besluiten staan in rechte vast. De laatste aanvraag baseert zich op haar bekering tot de islam en vrees voor haar familie en ex-partner. Verweerder oordeelt dat deze nieuwe elementen niet substantieel zijn en de aanvraag louter is bedoeld om uitzetting te frustreren.
De voorzieningenrechter toetst de ontvankelijkheid van de aanvraag aan de hand van het arrest L.H. van het Hof van Justitie EU, waarbij eerst wordt gekeken of er nieuwe elementen zijn en vervolgens of deze de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. Hoewel de nieuwe verklaringen van verzoekster als nieuw worden erkend, acht de rechter deze onvoldoende om de kans op bescherming te vergroten.
Daarom wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en de uitzetting niet opgeschort. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De rechter oordeelt dat verzoekster geen proceskosten hoeft te ontvangen en wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van nieuwe relevante feiten die de uitzetting kunnen verhinderen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen omdat de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.