Eiseres ontving een WW-uitkering die door het UWV werd teruggevorderd wegens te hoge inkomsten, omdat zij een bedrag had ontvangen dat het UWV als SV-loon aanmerkte. Eiseres stelde dat het bedrag een studievergoeding betrof en geen loon, en dat terugvordering onterecht was.
De rechtbank onderzocht de opleidingsovereenkomst en de polisadministratie en concludeerde dat de vergoeding onder het loonbegrip valt volgens de Wet op de loonbelasting 1964, omdat eiseres werkzaam was om vakbekwaamheid te verwerven en de vergoeding niet bedoeld was als onkostenvergoeding. Het UWV mocht uitgaan van de polisadministratie waarin het bedrag als SV-loon stond geregistreerd.
Eiseres voerde aan dat zij pas op 25 maart 2023 in dienst trad en dat het niet mogelijk was om loon te ontvangen voor 135 uren in die korte periode. De rechtbank stelde vast dat de uren deels betrekking hadden op de opleiding die al eerder was begonnen.
Verder stelde eiseres dat er sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien vanwege financiële gevolgen, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat geen dringende reden aanwezig was en dat de terugvordering terecht was.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de terugvordering bleef in stand.