Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
24/7196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DagloonbesluitArt. 16 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 10 Wet op de loonbelasting 1964Art. 3, eerste lid, onder e, Wet op de loonbelasting 1964Art. 36, eerste lid, WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering WW-uitkering wegens studievergoeding als SV-loon

Eiseres ontving een WW-uitkering die door het UWV werd teruggevorderd wegens te hoge inkomsten, omdat zij een bedrag had ontvangen dat het UWV als SV-loon aanmerkte. Eiseres stelde dat het bedrag een studievergoeding betrof en geen loon, en dat terugvordering onterecht was.

De rechtbank onderzocht de opleidingsovereenkomst en de polisadministratie en concludeerde dat de vergoeding onder het loonbegrip valt volgens de Wet op de loonbelasting 1964, omdat eiseres werkzaam was om vakbekwaamheid te verwerven en de vergoeding niet bedoeld was als onkostenvergoeding. Het UWV mocht uitgaan van de polisadministratie waarin het bedrag als SV-loon stond geregistreerd.

Eiseres voerde aan dat zij pas op 25 maart 2023 in dienst trad en dat het niet mogelijk was om loon te ontvangen voor 135 uren in die korte periode. De rechtbank stelde vast dat de uren deels betrekking hadden op de opleiding die al eerder was begonnen.

Verder stelde eiseres dat er sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien vanwege financiële gevolgen, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat geen dringende reden aanwezig was en dat de terugvordering terecht was.

Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de terugvordering bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van de WW-uitkering wegens studievergoeding als SV-loon.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7196

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv)¸

verweerder
(gemachtigde: B.M. de Wolff).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de terugvordering van haar uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij vindt dat het bedrag dat zij heeft ontvangen een studievergoeding betreft en geen loon. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht de uitkering van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en haar beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres ontving sinds 3 februari 2023 een uitkering op grond van de WW. Met ingang van 1 maart 2023 is de uitkering beëindigd omdat eiseres te hoge inkomsten had. In het primaire besluit van 16 januari 2024 heeft het Uwv de te veel betaalde uitkering van € 1.796,50 van eiseres teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 11 juli 2024 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar vader en de gemachtigde van verweerder.

Gronden eiseres

3. Eiseres voert aan dat haar werkgever heeft verklaard dat het ontvangen bedrag over de desbetreffende periode een studievergoeding betreft en geen loon. Eiseres verwijst hiervoor ook naar de opleidingsovereenkomst tussen haar en haar werkgever waarin staat opgenomen dat eiseres een cursustoelage exclusief vervoersvergoeding ontvangt van € 1.530,-. Eiseres wijst er verder op dat zij pas per 25 maart 2023 in dienst is getreden. Als het door haar ontvangen bedrag daadwerkelijk loon zou zijn, zou dat betekenen dat zij in de periode 25 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 135 uur zou hebben gewerkt, wat niet mogelijk is.

Standpunt verweerder

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de terugvordering juist is en licht dit als volgt toe. Op grond van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 mag het Uwv uitgaan van de gegevens in de polisadministratie. In bezwaar heeft het Uwv nader onderzocht of de werkgever van eiseres het genoemde bedrag terecht heeft opgegeven als SV-loon. Uit de stukken maakt het Uwv op dat het een cursustoelage (studievergoeding) betreft en geen vergoeding voor gemaakte studiekosten. De werkgever heeft het bedrag ook als salaris doorgegeven aan de Belastingdienst. Uit de opgestuurde stukken is niet gebleken dat er sprake is van een onkostenvergoeding. De cursustoelage is daarom terecht als inkomen aangemerkt dat van invloed is op de WW-uitkering.

Beoordeling door de rechtbank

Is de studievergoeding terecht aangemerkt als loon?
5. De rechtbank moet beoordelen of de studievergoeding die eiseres ontving terecht als loon is aangemerkt door het Uwv.
5.1.
Artikel 3 van Pro het Dagloonbesluit verwijst voor het loonbegrip voor de WW naar artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), dat op zijn beurt verwijst naar de Wet op de loonbelasting 1964. In artikel 10 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) wordt onder loon verstaan al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder e, van die wet wordt als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit opleidingsovereenkomst die eiseres heeft overgelegd en de uitleg die ze op de zitting heeft gegeven dat de vergoeding die ze van haar werkgever kreeg over de periode tussen 1 en 25 maart 2023 valt onder de omschrijving van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet LB 1964. Uit de overeenkomst volgt namelijk dat haar werkgever zich verbond eiseres op te leiden tot cabin attendant, en dat eiseres gehouden was de opleiding te volgen en daarbij alle regels en instructies die door de werkgever werden gegeven op te volgen. Daarmee staat vast dat eiseres werkzaam was om vakbekwaamheid te verwerven, in de zin van het hiervoor bedoelde artikel. Verder is niet gebleken dat de cursustoelage die de werkgever gedurende de opleiding verschuldigd was bedoeld was als vergoeding voor daadwerkelijk door eiseres gemaakte kosten, zoals kosten voor leermiddelen die zij had moeten voorschieten. Op de zitting heeft eiseres ook bevestigd dat van zulke kosten geen sprake was. Dat betekent dat de cursustoelage moet worden gezien als ‘beloning’ in de zin van artikel 3, eerste lid, onder e, van de Wet LB 1964 en dus ook als loon in de zin van die wet. De vergoeding telt daarom mee als SV-loon.
5.2.
Daar komt bij dat het Uwv bij de berekening van de WW-uitkering is uitgegaan van het bedrag aan SV-loon zoals vermeld in de polisadministratie. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie tenzij betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. [1] Uit die administratie blijkt dat eiseres over de periode van 1 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 een totaal bedrag van € 1.591,81 heeft ontvangen dat staat geregistreerd als SV-loon. De werkgever heeft de studievergoeding dan ook als salaris opgegeven bij de Belastingdienst. Het voorgaande betekent dat het Uwv het bedrag van de studievergoeding terecht heeft aangemerkt als loon, en eveneens terecht heeft verrekend met de uitkering van eiseres. Of het bedrag wordt aangeduid als ‘studievergoeding’, ‘cursustoelage’, ‘stagevergoeding’ of met een andere term is daarbij niet van belang.
5.3.
Eiseres heeft er nog op gewezen dat zij op 2 april 2023 het Uwv heeft gemaild. Daarin heeft zij aangegeven dat zij voor de maand maart geen inkomsten heeft opgegeven, maar wel een studievergoeding heeft ontvangen vanwege haar nieuwe baan. Daarop heeft het Uwv op 4 april 2023 geantwoord dat zij de studievergoeding niet hoefde door te geven op het inkomstenformulier. Eiseres ging er daarom vanuit dat de studievergoeding niet zou worden verrekend met haar uitkering. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel, omdat de term ‘studievergoeding’ op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Het Uwv heeft ter zitting aangegeven dat het de term ‘studievergoeding’ heeft opgevat als een verwijzing naar een vergoeding voor de gemaakte kosten om de opleiding te volgen, en een dergelijke vergoeding hoeft niet te worden doorgegeven. Die uitleg komt de rechtbank niet onlogisch voor. Nu de term ‘studievergoeding’ voor verschillende uitleg vatbaar is is van een ondubbelzinnige toezegging geen sprake, zodat eiseres alleen al daarom aan het antwoord van het Uwv geen in rechte te honoreren verwachtingen mocht ontlenen.
5.4.
Eiseres wijst verder op de gewerkte uren. Zij kwam pas 25 maart 2023 in dienst bij haar werkgever en wijst erop dat het niet mogelijk is om loon te ontvangen voor 135 uren in de periode van 25 tot en met 31 maart 2023. Ook dat leidt niet tot een andere uitkomst. De rechtbank overweegt dat uit de stukken kan worden afgeleid dat de 135 uren die geregistreerd staan in de loonspecificatie voor een deel zien op de opleiding welke eiseres volgde. In de opleidingsovereenkomst staat namelijk dat de opleiding aanvangt op 27 februari 2023 en zal worden beëindigd op 24 maart 2024. De 135 uren zien daarom voor een deel op de opleiding en voor het overige op het dienstverband dat per 25 maart 2023 inging.
Is sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien?
6. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat de terugvordering voor haar heeft geleid tot financiële en juridische gevolgen. De rechtbank begrijpt dit zo dat eiseres betoogt dat er sprake is van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had dienen af te zien.
6.1.
Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Van een dringende reden kan onder meer worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de consequenties van terugvordering, maar ook met de oorzaak ervan. [2]
6.2.
Ter zitting is aan eiseres gevraagd welke financiële gevolgen de terugvordering voor haar heeft gehad, en of zij daardoor in de problemen is gekomen met bijvoorbeeld het betalen van gas, water of licht. Eiseres reageerde hierop dat daar geen sprake van is. Zij heeft verder ook niet kunnen onderbouwen dat de terugvordering tot andere ingrijpende financiële gevolgen heeft geleid. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat in het geval van eiseres sprake is van een dringende reden op grond waarvan moest worden afgezien van terugvordering, en ook in de oorzaak van de terugvordering is een dergelijke dringende reden niet gelegen. De rechtbank tekent hierbij aan dat eiseres door de terugvordering niet in een slechtere positie is geraakt dan als zij de studievergoeding eerder had doorgeven. Als zij eerder aan het Uwv had doorgeven dat zij voor de maand maart een vergoeding had ontvangen en daarmee een hoger inkomen zou hebben, zou de uitkering immers niet of tot een lager bedrag zijn uitbetaald.
Slotsom
7. Gezien het voorgaande heeft het Uwv de studievergoeding van eiseres terecht aangemerkt als SV-loon en de te veel betaalde uitkering van eiseres terecht teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de terugvordering blijft in stand. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3172.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.