Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.1361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 21 september 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van de eerdere uitspraak van 4 november 2025, waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op afgifte van een laissez-passer en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, onder meer omdat de minister slechts schriftelijk rappelleert naar de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. Uit vertrekgesprekken bleek bovendien dat eiser niet actief meewerkt aan zijn terugkeer. De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1361
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Yap) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L. Hartog).

Procesverloop

De minister heeft op 21 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 november 2025 (in de zaak NL25.50505) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van
belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat er geen sprake is van enig zicht op afgifte van de laissez-passer (lp) binnen korte termijn en daarmee evenmin zicht op uitzetting, alsook dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij wordt verwezen naar dat er enkel vertrekgesprekken met eiser zijn gevoerd en dat de minister enkel schriftelijk rappelleert naar de Algerijnse autoriteiten. Eiser voert aan dat enkel het schriftelijk te rappelleren de minister onvoldoende voortvarend handelt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. Uit de vertrekgesprekken (25 november 2025 en 23 december 2025) volgt verder ook niet dat eiser actief meewerkt aan zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. De enkele verklaring in het vertrekgesprek van 23 december 2025 dat hij bereid is om mee te werken als er een lp wordt afgegeven, maar tot die tijd geen stappen kan ondernemen omdat hij geen contact heeft met zijn familie in Algerije, is hiertoe onvoldoende.
7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 4 november 2025 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, als laatste op 8 januari 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
1. Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.