ECLI:NL:RBDHA:2026:7223

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10222
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende op 13 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Duitsland had eerder een verzoek om overname van de asielaanvraag bevestigd.

Eiser betoogde dat Duitsland een minder gunstig asielbeleid voert voor Jemenitische asielzoekers en dat terugkeer naar Duitsland onevenredige hardheid zou opleveren, mede vanwege de veiligheidssituatie in Jemen en het risico op indirect refoulement. Hij verwees naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten zijn gebonden aan Europese verplichtingen, waaronder het verbod op uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het verschil in beleid en eerdere afwijzing in Duitsland rechtvaardigen geen uitzondering.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de asielaanvraag blijft buiten behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10222

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft 7 november 2025 een overnameverzoek gestuurd aan de Duitse autoriteiten. Deze hebben op 11 november 2025 bericht dat zij akkoord zijn met overname van eiser.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en hij voert daartoe het volgende aan. Eiser is afkomstig uit Jemen en Duitsland hanteert een ander, minder gunstiger, asielbeleid ten aanzien van asielzoekers uit Jemen dan Nederland. Duitsland stelt zich namelijk op het standpunt dat in Jemen geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [3] Eiser beroept zich op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025 [4] over de veiligheidssituatie in Jemen. Hoewel eiser op de hoogte is van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [5] waaruit volgt dat een vreemdeling in Nederland geen beroep meer kan doen op indirect refoulement in een Dublinprocedure, meent eiser dat in zijn geval voorzienbaar is dat eisers asielaanvraag in Duitsland zal worden afgewezen. Hij zal dus moeten terugkeren naar Jemen en dat is in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [6] Eiser meent daarom dat terugkeer naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Evenmin is in geschil dat ten aanzien van Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat desondanks niet van hem verwacht kan worden dat hij terugkeert naar Duitsland, omdat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er moet dan sprake zijn van een heel bijzondere situatie die maakt dat overdracht leidt tot onevenredige hardheid. In het geval van eiser is daarvan geen sprake. Duitsland heeft namelijk met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser na overdracht in behandeling zal worden genomen. Het enkele feit dat Duitsland, in ieder geval ten tijde van zijn eerdere asielaanvraag in dat land, een ander beleid voerde ten aanzien van Jemen, maakt nog niet dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel immers vanuit gaan dat eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [7] Die verplichting geldt ook nu eisers eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.2011/95/EU.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.