Eiser, van Turkse nationaliteit en voormalig betrokken bij de Gülenbeweging, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat eiser geen reëel risico liep op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije.
Tijdens de zitting over het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening overhandigde eiser nieuwe stukken ter onderbouwing van zijn identiteit en betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verweerder verscheen niet op de zitting en reageerde niet op deze nieuwe stukken.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kopie van het paspoort en het uittreksel uit het bevolkingsregister niet geloofwaardig zouden zijn. Tevens heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de nieuwe stukken die de prominente rol van eiser binnen de Gülenbeweging onderbouwen.
Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de nieuwe informatie. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.