Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7239

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL24.22438 en NL23.20439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsaanvraag familie- en gezinsleven wegens onvoldoende motivering

Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor verblijf in Nederland met het verblijfsdoel 'familie en gezin' bij referente, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De minister wees deze aanvraag af, stellende dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er sprake was van een duurzame en exclusieve relatie en dat eiseres onlosmakelijk deel uitmaakt van het gezin. De rechtbank hield kindgesprekken met de minderjarige kinderen van referente en beoordeelde het beroep op basis van de aangevoerde beroepsgronden.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een nieuwe beoordeling op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb, omdat eiseres nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die niet eerder konden worden overgelegd. De verklaringen van een leidinggevende en de schooldirecteur tonen aan dat eiseres een actieve rol vervult in het leven van de kinderen, wat onvoldoende is meegewogen door de minister.

Voorts constateert de rechtbank dat de minister in het eerdere besluit een onjuist toetsingskader hanteerde door te focussen op daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken in plaats van op het bestaan van hechte en persoonlijke banden, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro. De belangen van de kinderen zijn onvoldoende in kaart gebracht, hetgeen ook door de minister is erkend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze overwegingen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.22438 (beroep)
NL23.20439 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres

(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor verblijf met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij [referente] (referente). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd door een verweerschrift in te dienen.
1.2.
Voorafgaand aan de zitting op 4 december 2025 heeft de (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van de griffier afzonderlijke kindgesprekken gehouden met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referente en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom het beroep gegrond is en welke gevolgen dit heeft. In deze uitspraak heeft de rechtbank ook een brief gevoegd voor [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak in kindvriendelijke taal worden uitgelegd.
Achtergrond
4. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1996 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij referente. Referente is op [geboortedag 2] 1987 geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft referente ontmoet op een huwelijksfeest in augustus 2017 in Suriname. Na het feest hebben zij contact gehouden en in februari 2021 is er een liefdesrelatie ontstaan. Vervolgens is eiseres in augustus 2022 naar Nederland gekomen door middel van een visum kort verblijf. Zij woont op dit moment samen met referente en [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] in Nederland. Zij zijn de kinderen van referente en respectievelijk 14, 8 en 9 jaar oud.
4.1.
Eiseres heeft op 24 januari 2023 een aanvraag voor verblijf als ‘familie- of gezinslid’ bij referente ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 14 april 2023 door de minister afgewezen. Volgens de minister heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een daadwerkelijke en exclusieve relatie heeft met referente. Ook zijn er geen stukken overgelegd van bijvoorbeeld de school van de kinderen waaruit blijkt dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken vervult voor de kinderen. De minister vindt dan ook dat er geen sprake is van familieleven tussen eiseres en referente en de kinderen als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Er is ook, volgens de destijds geldende jurisprudentie van de Afdeling [3] , een belangenafweging gemaakt die in het nadeel van eiseres is uitgevallen.
4.2
Eiseres is niet in bezwaar gegaan tegen voornoemd besluit, maar heeft op 25 mei 2023 een nieuwe aanvraag ingediend. Dat is de aanvraag waar het in deze zaak om gaat.
4.3.
Op 18 juli 2024 heeft eiseres ook een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez [4] . Deze aanvraag is met het besluit van 3 november 2025 afgewezen.
Besluitvorming
5. Volgens de minister wordt de aanvraag van eiseres als een herhaalde aanvraag aangemerkt. Uit de verklaringen die eiseres bij de herhaalde aanvraag heeft overgelegd, kan – kort gezegd – niet worden afgeleid dat er tussen eiseres en referente familieleven is dat gelijkgesteld moet worden met partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Ook blijkt daaruit niet dat eiseres onlosmakelijk deel uitmaakt van het gezin. Zelfs al zou de relatie worden aangenomen, is niet gebleken dat eiseres en referente zich niet zouden kunnen vestigen in Suriname. De minister wijst de aanvraag van eiseres onder verwijzing naar het besluit van 14 april 2023 af. [5]
5.1.
In het bestreden besluit wordt het primaire besluit gehandhaafd. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat er sprake is van familieleven dat gelijkgesteld moet worden met partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Verder blijkt uit de stukken dat eiseres de kinderen naar school brengt, wat onvoldoende is voor het aannemen van familieleven. In het primaire besluit heeft een uitgebreide en gemotiveerde belangenafweging plaatsgevonden die in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Niet is gebleken dat het familieleven enkel in Nederland kan plaatsvinden. Volgens de minister is het bezwaar ongegrond en is de aanvraag terecht verkort afgewezen als herhaalde aanvraag.
Het kindgesprek
6. De rechtbank heeft zoals gezegd kindgesprekken met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gevoerd. De rechtbank heeft, met instemming van de kinderen, daar op de zitting een samenvatting van gegeven. De samenvatting is ook aan het digitale dossier toegevoegd.
Nieuwe feiten en omstandigheden
7. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die tot een heroverweging van de eerdere afwijzende beslissing zou moeten leiden. In bezwaar heeft eiseres de herhaalde aanvraag verder onderbouwd met twee objectieve bewijsstukken van een leidinggevende van referente van het Leger Des Heils en van de school waar de kinderen van referente op zitten. Uit die stukken blijkt dat eiseres zeer belangrijk is in het leven van referente, haar liefdespartner is, en voor haar kinderen zorgt. Eiseres heeft hiermee haar duurzame en exclusieve relatie met referente onderbouwd en ook haar sterke betrokkenheid bij het gezin. [6]
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat als een bestuursorgaan ervoor kiest om op een opvolgende aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb te beslissen, de bestuursrechter, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerde beleid, toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, als ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden. [8] Wanneer hieraan is voldaan, doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een – hernieuwde – toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat bij de herhaalde aanvraag twee aanvullende stukken zijn overgelegd. Het gaat om een verklaring van de leidinggevende van referent van 21 juni 2023 en een verklaring van de directeur van 2 juni 2023 van de school waar [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] op zitten. Volgens de minister kan uit de verklaringen niet worden afgeleid dat er tussen eiseres en referente familieleven is dat gelijkgesteld moet worden met partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen relatie. Verder blijkt uit de verklaring enkel dat eiseres de kinderen naar school brengt en zegt dat niks over het familieleven. De rechtbank volgt de minister niet in dat standpunt en overweegt daartoe als volgt.
7.3.
In de verklaring van de directeur van de school staat dat eiseres drie tot vier keer per week de kinderen brengt en ophaalt van de school, dat zij aanwezig is bij de gesprekken en schoolactiviteiten en dat de communicatie over de kinderen prettig en constructief verloopt. De rechtbank leest in deze verklaring terug dat eiseres een actieve rol heeft in het leven van de kinderen. De verklaring is dan ook een nadere onderbouwing van het gestelde familieleven dat is beoordeeld in het besluit van 14 april 2023. Het standpunt van de minister dat die verklaring niks zegt over het familieleven acht de rechtbank onvoldoende. Aan de hand van die verklaring is op voorhand namelijk niet is uitgesloten dat wat alsnog is overgelegd niet aan het eerdere besluit kan afdoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking af kon doen. De beroepsgrond slaagt dan ook.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep reeds hierom slaagt en de minister zal opnieuw een beslissing moeten nemen. De rechtbank merkt hierover nog het volgende op.
7.5.
Ter zitting is met de minister besproken dat in het besluit van 14 april 2023 een onjuist toetsingskader is gehanteerd. De minister heeft in dat besluit namelijk ten aanzien van het familieleven tussen eiseres en de kinderen een beoordeling gemaakt aan de hand van de vraag of eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken uitvoert. Die beoordeling klopt niet. Ten aanzien van de minderjarige kinderen is de minister gehouden om te beoordelen of er sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en de kinderen. [9] Hechte en persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond. [10] Ter zitting heeft de rechtbank de minister hierop gewezen en de minister heeft ook bevestigd dat dit in het besluit van 14 april 2023 onjuist is getoetst. De minister dient hier in een nieuw te nemen besluit rekening mee te houden. Overigens stelt de rechtbank vast dat de minister in het Chavez-besluit van 3 november 2025 wel heeft vastgesteld dat eiseres zorgtaken verricht en samenwoont met de kinderen, maar vervolgens geen hechte en persoonlijke banden aanneemt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot wijst de rechtbank erop dat de minister, bij een volgend te nemen besluit, ook de verklaringen die de kinderen bij de rechtbank hebben afgelegd en de BIC-rapportage die in beroep is overgelegd, dient mee te nemen.
7.6.
Verder is ter zitting ook met de minister besproken dat zowel in de eerste als de tweede procedure de belangen van de kinderen onvoldoende in kaart zijn gebracht, wat ook door de minister ter zitting is bevestigd. In de belangenafweging die is gemaakt is namelijk enkel over de kinderen opgemerkt dat zij de Nederlandse nationaliteit hebben. De minister dient die belangen voldoende kenbaar in kaart te brengen bij de besluitvorming. De rechtbank geeft aan de minister mee dat een mogelijkheid om die belangen goed in kaart te brengen, het horen van de kinderen zou kunnen zijn.
7.7.
Nu het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister een nieuwe beoordeling dient te maken.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.22438:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 mei 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden.
in de zaak geregistreerd onder nummer NL23.20439:
- wijst het verzoek af.
in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.

Bijlage terugkoppeling beslissing aan de kinderen

Beste [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ,
Op 4 december hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie zijn gekomen en mij hebben verteld wat jullie vinden van de zaak.
Jullie hebben mij verteld over [eiseres] en over de dingen die jullie samen doen. En dat jullie het niet leuk zouden vinden als [eiseres] niet zou mogen blijven. Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik van ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jullie zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik nu deze brief.
Op dezelfde dag dat ik jullie sprak was ook de zitting. Toen heb ik gepraat met jullie moeder, [eiseres] en hun advocaat en met een mevrouw die kwam voor de minister van Asiel en Migratie (hierna noem ik haar de minister).
Ik heb op de zitting verteld wat jullie vinden van de situatie, zoals we dat aan het eind van ons gesprek met elkaar hadden afgesproken. De mensen die op de zitting waren, hebben verteld hoe zij er tegenaan kijken. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Dit is de tweede keer dat [eiseres] aan de minister heeft gevraagd of zij hier in Nederland bij jullie mama en bij jullie zelf mag blijven. De eerste keer vond de minister dat niet goed. De tweede keer ook niet. De minister vond dat er niet zoveel veranderd was de tweede keer dus hij zei: ik blijf bij mijn eerste beslissing. Ik vind dat de minister niet goed heeft uitgelegd waarom hij het de tweede keer niet goed vond. De minister moet beter kijken naar het leven dat jullie samen hebben als gezin.
Wat betekent dit? Mijn beslissing is dat de minister opnieuw moet kijken naar de zaak van [eiseres] en opnieuw een beslissing moet nemen. Dat betekent niet dat het nu al zeker is dat [eiseres] in Nederland mag blijven.
Als de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan hij binnen vier weken in hoger beroep gaan bij een hogere rechter, die dan nog eens naar mijn beslissing gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt dan is de procedure bij de rechter na mijn beslissing klaar. Dan moet de minister binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen in de zaak van [eiseres] .
Ik hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jullie zal gaan.
Groetjes,
De rechter: Valérie Bernt.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
5.Op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Hiertoe verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.
8.Zie de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4250.
9.Zoals volgt uit Werkinstructie 2020/16: Richtlijnen voor toepassing van artikel 8 EVRM Pro, paragraaf 3.3.2.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (Hof) van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.