ECLI:NL:RBDHA:2026:7240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL24.30186
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister wees de aanvraag op 10 juli 2024 als ongegrond af. Tijdens de zitting op 19 maart 2026 was eiser niet aanwezig en ook zijn gemachtigde kon niet verschijnen vanwege verhindering. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank overwoog dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) bleek dat eiser sinds 5 december 2024 met onbekende bestemming was vertrokken. Tevens was eiser niet verschenen bij het vertrekgesprek van 14 juli 2025 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). De advocaat van eiser gaf aan dat er geen contact meer was met eiser.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt bij vertrek met onbekende bestemming in beginsel aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland. Omdat eiser geen contact meer had met zijn advocaat en met onbekende bestemming vertrokken was, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 19 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.30186
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1982 van Tanzaniaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart [1] ),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G. Wischoff).

Procesverloop

Met het besluit van 10 juli 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. In het verweerschrift heeft de minister gewezen op het feit dat uit informatie van het COa [2] is gebleken dat eiser sinds 5 december 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is daarnaast niet verschenen op het vertrekgesprek bij DT&V [3] van 14 juli 2025. De minister heeft de rechtbank dan ook verzocht om te onderzoeken of het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming [4] vertrekt dan moet er volgens vaste rechtspraak [5] van de Afdeling [6] in beginsel van uit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De bestuursrechter zal echter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een zogenoemde MOB-melding. Zolang de advocaat contact heeft met de vreemdeling, mag er volgens de Afdeling van worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. De advocaat van eiser heeft laten weten dat eiser geen contact met hem heeft onderhouden.
3. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en daarna geen contact meer heeft gehad met zijn advocaat, gaat de rechtbank ervan uit dat hij geen bescherming meer wil in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzitter, en mr. P.L.C.M. Ficq en mr. H.J. Schaberg leden, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Dit is de advocaat van eiser.
2.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
3.Dienst Terugkeer en Vertrek.
4.Afgekort als MOB.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2915.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.