Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/6093
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 onderdeel b RWNArt. 6 lid 1 onderdeel q RWNArt. 6 lid 3 RWNArt. 21 RWNArt. 2 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Nederlanderschap aan staatloze in strijd met toelatingseis Rijkswet Nederlanderschap

Eiseres, geboren in Nederland en staatloos vanaf haar geboorte, verzocht om bevestiging van het Nederlanderschap op grond van artikel 6 lid 1 onderdeel Pro b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verweerder weigerde dit omdat eiseres niet voldeed aan de toelatingseis, namelijk het bezit van een geldige verblijfsvergunning gedurende drie jaar.

Eiseres stelde dat deze toelatingseis in strijd is met het Verdrag tot beperking der staatloosheid uit 1961 (Staatloosheidsverdrag) en daarom buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank oordeelde dat het Staatloosheidsverdrag slechts beperkte voorwaarden toestaat voor nationaliteitsverlening aan staatlozen, waarbij de eis van rechtmatig verblijf niet is toegestaan.

De rechtbank verwierp het verweer van verweerder dat de invoering van een vijfjaarsoptie in artikel 6 lid 1 onderdeel Pro q RWN de strijdigheid zou opheffen. Ook de aanvullende eis van stabiel verblijf bij deze optie is niet verenigbaar met het verdrag. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat verweerder een schriftelijke bevestiging van het Nederlanderschap aan eiseres moet afgeven. Tevens werden de proceskosten aan eiseres toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en beveelt afgifte van een schriftelijke bevestiging van het Nederlanderschap aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6093

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[de vader] en [de moeder], uit [woonplaats] , in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van
[eiseres]eiseres,
(gemachtigde: mr. B.T. Verdam),
en

de burgemeester van Katwijk, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. C. Walther).

Inleiding

1. Dit beroep is gericht tegen het besluit van 7 juli 2025, waarbij verweerder heeft geweigerd te bevestigen dat eiseres het Nederlanderschap heeft verkregen.
2. Verweerder heeft ingestemd met het verzoek om de zaak met een rechtstreeks beroep aan de bestuursrechter voor te leggen. [1]
2.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren eiseres en haar ouders aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook de gemachtigden van verweerder namen aan de zitting deel.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is op [geboortedatum] 2021 in Nederland geboren. Zij is vanaf haar geboorte staatloos.
4. Op 21 mei 2025 heeft de vader namens eiseres een optieverklaring afgelegd en verweerder verzocht om een bevestiging dat zij het Nederlanderschap verkrijgt. In de verklaring is aangegeven dat eiseres ten minste drie jaar hoofdverblijf in Nederland heeft.
4.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres geen toelating in Nederland heeft; zij is niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. Op grond daarvan heeft verweerder beslist dat de bevestiging moet worden geweigerd, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat minstens drie jaar sprake moet zijn van toelating (hierna: “de Toelatingseis”). [2] In zijn onderbouwing heeft verweerder erop gewezen dat de RWN sinds 2023 aan staatlozen de mogelijkheid biedt het Nederlanderschap te verkrijgen als is voldaan aan de voorwaarde van vijf jaar stabiel hoofdverblijf (hierna: “de Vijfjaarsoptie”). [3]
Wat zijn de gronden van het beroep?
5. Namens eiseres wordt aangevoerd dat de Toelatingseis in strijd is met het Verdrag tot beperking der staatloosheid uit 1961 (“het Staatsloosheidsverdrag”). Deze voorwaarde moet daarom buiten toepassing worden gelaten bij de toetsing aan artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de RWN. Nu zij aan de overige vereisten voldoet, hetgeen niet wordt betwist door verweerder, moet op grond van die bepaling aan eiseres dan ook het Nederlanderschap worden verleend.
5.1.
Daarbij voert eiseres aan, dat de strijd met het Staatloosheidsverdrag niet wordt weggenomen door de Vijfjaarsoptie in artikel 6, eerste lid, onderdeel q, van de RWN. De Vijfjaarsoptie laat namelijk onverlet, dat in onderdeel b een voorwaarde is gesteld die niet valt te verenigen met het Staatloosheidsverdrag. Het standpunt dat eiseres zich op de minder gunstige Vijfjaarsoptie zou moeten beroepen, miskent bovendien artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, doet daarnaast afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel en valt ook niet te rijmen met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien is de regeling van de Vijfjaarsoptie eveneens in strijd met het Staatloosheidsverdrag vanwege het aanvullend vereiste van 'stabiel verblijf’.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de bevestiging niet mogen weigeren. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
6.1.
Op grond van het Staatloosheidsverdrag verleent iedere verdragsstaat zijn nationaliteit aan degene die geboren is op zijn grondgebied en anders staatloos zou zijn. [4] De verdragsstaat kan daarbij kiezen voor een regeling waarbij de nationaliteit van rechtswege bij de geboorte wordt verkregen, of voor een regeling waarbij de nationaliteit op verzoek wordt verleend. Als hoofdregel geldt, dat een verzoek om verlening van de nationaliteit aan een staatloze persoon die op het grondgebied van de betreffende staat is geboren, niet door die staat mag worden afgewezen. Dat is alleen anders, als het verzoek wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan een voorwaarde die de staat op grond van het Staatloosheidsverdrag mag stellen. [5]
6.2.
Het Staatloosheidsverdrag geeft een limitatieve opsomming van voorwaarden die zijn toegestaan. [6] Eén van die voorwaarden betreft het verblijf op het grondgebied van de betreffende staat. Deze voorwaarde is als volgt verwoord: “
dat de belanghebbende gedurende een door de Verdragsluitende Staat vast te stellen tijdvak zijn gewone verblijf op het grondgebied van die Staat heeft gehad; bedoeld tijdvak mag niet op langer dan tien jaar in totaal worden gesteld, noch op langer dan vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek”. [7] In de RWN heeft de wetgever beoogd op nationaal niveau van deze voorwaarde gebruik te maken.
6.3.
De RWN bepaalt in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dat de vreemdeling die in het Europese deel van Nederland is geboren en daar gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en hoofdverblijf heeft en vanaf zijn geboorte staatloos is, de Nederlandse nationaliteit verkrijgt; op grond van lid 3 van deze bepaling gebeurt dat met een bevestiging van een daartoe afgelegde verklaring. [8] Verweerder heeft het ontbreken van toelating zoals hier bedoeld, ten grondslag gelegd aan het weigeren van de bevestiging. Dit had verweerder niet mogen doen, omdat het Staatloosheidsverdrag deze weigeringsgrond niet toestaat.
6.3.1.
Zoals hiervoor is overwogen, biedt het Staatloosheidsverdrag de mogelijkheid om een tijdvak vast te stellen waarin de staatloze persoon zijn “gewone verblijf” binnen de betreffende staat heeft, dat wil zeggen duurzaam feitelijk verblijf. Het verdrag biedt niet de mogelijkheid verdergaande eisen te stellen aan het verblijf. De Toelatingseis komt erop neer, dat het verblijf rechtmatig moet zijn en leidt daarmee tot een aanvullende eis, die niet valt te verenigen met de tekst en de strekking van de betreffende verdragsbepaling [9] ; dit is ook in eerdere rechtspraak uitgemaakt. [10] Een dergelijke verruiming verdraagt zich verder niet met de systematiek van artikel 1 van Pro het Staatloosheidsverdrag. Weigering van nationaliteitsverlening voor staatlozen is namelijk bij uitzondering toegestaan en alleen in een aantal strikt afgebakende, limitatief genoemde gevallen. De Toelatingseis is daarmee strijdig met een bepaling van internationaal recht die een ieder kan verbinden [11] en dient daarom buiten toepassing te worden gelaten. [12]
6.4.
Verweerder betoogt, dat de invoering van de Vijfjaarsoptie in onderdeel q van artikel 6, eerste lid RWN, tot gevolg heeft dat (alsnog) aan het Staatloosheidsverdrag wordt voldaan en de Toelatingseis in onderdeel b daarom wel mag worden toegepast. Dit is onjuist.
6.4.1.
Het Staatloosheidsverdrag gaat uit van een verplichting tot nationaliteitsverlening, waarvan slechts in een beperkt aantal gevallen mag worden afgeweken. Zoals in het voorgaande overwogen, is het verbinden van de Toelatingseis aan de verkrijging van de nationaliteit niet rechtmatig. Met alleen het toevoegen van de Vijfjaarsoptie in artikel 6, onder q, van de RWN, is het Nederlandse nationaliteitsrecht op dit punt nog steeds niet afdoende in lijn met het internationale recht. De overweging van verweerder, dat onderdeel q vermoedelijk uitzicht biedt op nationaliteitsverkrijging, neemt niet weg dat hij in strijd handelt met het Staatloosheidsverdrag door eiseres - gedurende twee jaar - een verdragsschendende voorwaarde tegen te werpen.
6.4.2.
Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat het eisen van een “stabiel hoofdverblijf” voor toepassing van de Vijfjaarsoptie, neerkomt op het stellen van een ongeoorloofde aanvullende voorwaarde op het Staatloosheidsverdrag. Hoewel het begrip terminologisch ontleend lijkt te zijn aan de tekst van het Staatloosheidsverdrag, wordt aan dit criterium een invulling gegeven die naar het oordeel van de rechtbank niet met het verdrag valt te verenigen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever met dit criterium heeft willen verhinderen, dat kinderen het Nederlanderschap zouden verkrijgen als hun ouders hun vertrek hebben gefrustreerd of zich aan het toezicht hebben onttrokken. [13] Dit oogmerk komt ook uitdrukkelijk terug in het beleid dat bij de uitvoering van artikel 6 van Pro de RWN wordt gehanteerd. Dat beleid, neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, bepaalt dat een hoofdverblijf alleen als stabiel wordt aangemerkt als geen sprake is van frustratie van vertrek of onttrekking aan het toezicht. Deze invulling is niet terug te voeren op één van de limitatief geformuleerde voorwaarden uit het Staatloosheidsverdrag. Bovendien druist dit in tegen de verplichting van de Nederlandse overheid om te waken over de rechten en belangen van minderjarigen die zich op Nederlands grondgebied bevinden, waarbij als uitgangspunt geldt dat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van hun familieleden. [14]
6.5.
Concluderend overweegt de rechtbank dat eiseres een geslaagd beroep heeft gedaan op strijd tussen de Toelatingseis met artikel 1 van Pro het Staatloosheidsverdrag. Verweerder heeft de Toelatingseis ten onrechte aan eiseres tegengeworpen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd.
8. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de bestuursrechter het geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet daarvoor aanleiding.
8.1.
De Toelatingseis in artikel 6, eerste lid, onderdeel b van de RWN, mag niet aan eiseres worden tegengeworpen. Daarnaast is eiseres in Nederland geboren. Zij is vanaf haar geboorte staatloos. Vanaf haar geboorte heeft zij haar hoofdverblijf in Nederland, met de rest van het gezin. Eiseres voldoet daarmee aan de overige voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder b, van de RWN. Dit leidt tot de conclusie, dat eiseres voldoet aan de voorwaarden die in haar geval aan de verkrijging van het Nederlanderschap mogen worden verbonden. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder aan eiseres een schriftelijke bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap afgeeft. Deze uitspraak zal in de plaats treden van het vernietigde besluit.
9. De overige beroepsgronden behoeven niet te worden besproken.
10. Ook moet verweerder de proceskosten vergoeden, tot een bedrag van € 1.868,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [15] Het griffierecht hoeft niet te worden vergoed omdat eiseres daarvan is vrijgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 juli 2025;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een schriftelijke bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap afgeeft;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten aan eiseres vergoedt ten bedrage van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in aanwezigheid van mr. A.M. de Wit en mr. A.G.J. Ouwerkerk, leden en mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 6, eerste lid, onder b van de RWN.
3.Neergelegd in artikel 6, eerste lid onder q van de RWN.
4.Artikel 1, eerste lid, van het Staatloosheidsverdrag.
5.Artikel 1, eerste lid, tweede alinea, onder b van het Staatloosheidsverdrag.
6.Artikel 1, tweede lid van het Staatloosheidsverdrag.
7.Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b van het Staatloosheidsverdrag.
8.Artikel 6, derde lid van de RWN. De bevestiging wordt in afgegeven door de betreffende burgemeester (artikel 21 van Pro de RWN, in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap).
9.Zie het voorgaande citaat bij r.o. 6.2.
11.Vergelijk ECLI:NL:RBZWB:2023:8630, r.o. 10.
12.Artikel 94 van Pro de Grondwet.
13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 688 (R2151), nr. 3, blz. 4-5.
14.Vergelijk: Hoge Raad 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, r.o. 3.7.2.
15.Berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, met toekenning van € 934,- per punt, waarvan 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting.