Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
C/09/686593 HA-ZA 25-522
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWWet DierenBesluit houders van dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onrechtmatige spoedbestuursdwang dierenwelzijn

Eiser hield diverse dieren en kreeg van de Staat meerdere last onder dwangsom en bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet Dieren en het Besluit houders van dieren. Op 15 december 2021 werd spoedbestuursdwang toegepast waarbij dieren in bewaring werden genomen. Eiser stelde dat deze bestuursdwang onrechtmatig was en vorderde schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de spoedbestuursdwang onrechtmatig was, maar dat aannemelijk is dat ook zonder deze bestuursdwang de Staat binnen enkele dagen tot inbewaringneming zou zijn overgegaan vanwege aanhoudende overtredingen en de slechte gezondheid van de dieren. Hierdoor ontbrak het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de gestelde schade.

Eiser kon onvoldoende onderbouwen dat de stress en tijdelijke uithuisplaatsing van de honden tot langdurig uitblijven van loopsheid had geleid. De vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade werden daarom afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens ontbreken van causaal verband tussen onrechtmatige spoedbestuursdwang en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/686593 / HA ZA 25-522
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiser,
advocaat: mr. M.M.J.P. Penners,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)te Den Haag,
gedaagde,
advocaten: mrs. J.S. Procee en M.S. Klijsen.
Partijen worden hieronder aangeduid als ‘ [eiser] ’ respectievelijk ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2025, met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 17;
- het tussenvonnis van 19 november 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de door [eiser] overgelegde aanvullende productie 18.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] houdt verschillende soorten dieren, waaronder kippen, honden,
katten en geelbuikschildpadden.
Controles, lasten en handhaving
2.2.
De Staat (RVO in samenwerking met de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, LID) heeft op 15 november 2021 een controle uitgevoerd bij [eiser] naar aanleiding van een melding van de gemeente, waarin zorgen zijn geuit over het welzijn van de honden van [eiser] . Bij die controle zijn diverse overtredingen geconstateerd van de Wet dieren en het
Besluit houders van dieren.
2.3.
Naar aanleiding hiervan heeft de Staat op 1 december 2021 [eiser] een last onder dwangsom opgelegd (kenmerk G2021010496, hierna ”besluit 1”) om de volgende tien maatregelen te treffen:
Per direct:
“1. Zorg dat uw kippen, honden en katten voldoende vers en schoon drinkwater hebben. Uw kippen, honden en katten moeten goed bij dit water kunnen komen.
2. Zorg dat uw geelbuikschildpadden genoeg gezond en voor de soort en leeftijd
geschikt voer krijgen (…)”;
vóór 8 december 2021:
“3. Zorg dat uw kippen op de binnenplaats altijd een schone en droge huisvesting hebben. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en reinig de ruimtes goed.
4. Zorg dat uw honden, katten en geelbuikschildpadden altijd een schone en/of droge huisvesting hebben. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine en reinig de ruimtes goed.
5. Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw vier Mechelse herders in het washok niet zodanig beperkt dat de honden hierdoor onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht.
6. Zorg dat uw vier Mechelse herders vrij kunnen ademen, drinken en hijgen.
7. Zorg dat het verblijf van uw geelbuikschildpadden en de bench van uw honden geschikt is voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en zij aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen.
8. Zorg dat in de ruimtes waar u uw honden en katten houdt voldoende verse lucht binnenkomt. Alle ruimtes waarin dieren aanwezig zijn, moeten goed geventileerd zijn en de dieren moeten voldoende frisse lucht hebben.
9. Zorg voor een schone kattenbak voor uw kittens. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine.”
vóór 15 december 2021:
“10. Verwijder of repareer alle scherpe en uitstekende delen, zodat deze geen verwondingen of beschadigingen bij de aanwezige honden kunnen veroorzaken.”
2.4.
Daarnaast heeft de Staat aan [eiser] een last onder bestuursdwang opgelegd (kenmerk G2021010495, hierna ”besluit 2”), eveneens op 1 december 2021, om de volgende maatregelen te treffen):
Per direct:
“1. Ga met uw kitten [kat] en uw honden [hond 1] , [hond 2] , [hond 3] , [hond 4] en [hond 5] naar een dierenarts voor onderzoek naar de algemene gezondheidstoestand, waarbij u vooral laat kijken naar de voedingsconditie van uw kitten en uw honden en daarnaast naar de ogen van uw kitten [kat] en uw hond [hond 3] . Volg het behandelplan van de dierenarts op die de dierenarts heeft opgesteld voor de geconstateerde aandoening(en).”
vóór 15 december 2021:
“2. Zorg ervoor dat u de vacht van al uw honden tijdig en op de juiste wijze verzorgt. Indien nodig kunt u hiervoor een trimmer inschakelen.”
2.5.
Bij hercontrole door de Staat op 15 december 2021 is vastgesteld dat [eiser] verschillende overtredingen die ten grondslag lagen aan de beide besluiten van 1 december 2021 niet had beëindigd. Niet voldaan was aan maatregel 1, 4, 5, 7 en 8 van besluit 1 en maatregel 2 van besluit 2. Daarnaast heeft de Staat nieuwe overtredingen geconstateerd.
De aangetroffen situatie ten aanzien van de honden was als volgt:
- de hond genaamd [hond 6] die twee dagen eerder bevallen was van 9 puppy’s had heel veel uitvloeiing uit haar vulva en lag met haar achterhand in het vocht en bloed;
- alle honden hadden last van diarree;
- alle volwassen honden hadden een vervuilde en klamme vacht;
- de woning waar de honden verbleven was sterk vervuild met ontlasting en urine (muren, meubels, deuren, trap en vloeren).
- vier honden (Mechelse herders, circa 1 jaar oud) bevonden zich in een afgesloten donker washok van ongeveer 4,5 m2 zonder ramen.
2.6.
Om de overtredingen direct te beëindigen heeft de Staat op 15 december 2021 spoedbestuursdwang toegepast. Tien volwassen honden, negen puppy’s, drie katten en vijf schildpadden zijn in bewaring genomen. De districtsinspecteur van de LID heeft een toezichtrapport van de bevindingen tijdens de hercontrole en een proces-verbaal van de inbewaringneming opgemaakt. Het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang is op 21 december 2021 op schrift gesteld (kenmerk G2021011297).
2.7.
Op 22 december 2021 heeft de Staat [eiser] per brief geïnformeerd van zijn voornemen de op grond van besluit 1 verbeurde dwangsommen in te vorderen, en is [eiser] de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen.
2.8.
Eveneens op 22 december 2021 heeft de Staat aan [eiser] ter voorkoming van herhaling van overtredingen voor de duur van twee jaar een last onder dwangsom opgelegd
(kenmerk G2021011370) om met betrekking tot de honden, katten en geelbuikschildpadden en de dieren die [eiser] eventueel in de toekomst gaat houden acht maatregelen in stand te houden.
2.9.
De Staat heeft op 25 januari 2022 vrijwillig de dieren aan [eiser] teruggegeven, met uitzondering van de vier herdershonden waarvan [eiser] afstand heeft gedaan. Daarbij heeft de Staat afgezien van kostenverhaal voor de inbewaringneming.
2.10.
Bij besluit van 2 februari 2022 (hierna: “het invorderingsbesluit”) heeft de Staat een bedrag van in totaal € 1.250,- aan dwangsommen ingevorderd op grond van besluit 1.
2.11.
Op 5 maart 2024 heeft de Staat wederom een controle bij [eiser] uitgevoerd. Daarbij werden de volgende overtredingen van de Wet Dieren en het Besluit Houders van Dieren geconstateerd:
“Overtreding 1:
(...) scherpe en losliggende materialen in de achtertuin [zijn] niet opgeruimd of gerepareerd. In de achtertuin liggen een opgerolde rol met scheermesjesdraad, deksel van een conservenblikje, kapotte stukken hout en er hangt draad los. Uw honden kunnen zich hieraan verwonden of beschadigen;(…)
Overtreding 2:
de huisvesting van uw honden in de achtertuin is vervuild met ontlasting. (…) Een onhygiënische huisvesting benadeelt het welzijn van dieren en kan de weerstand van dieren tegen ziektes verlagen en hun gezondheidsrisico’s vergroten; (…)
Overtreding 3:
Uw honden hebben een vervuilde vacht. De onderkant/buiken en poten van uw honden zijn vervuild met modder en ontlasting. Een enkele van uw hond heeft een vervuilde achterkant met ontlasting. U heeft de vacht van uw honden niet op tijd en niet op de juiste wijze verzorgd.”
2.12.
Naar aanleiding van deze controle heeft de Staat op 25 maart 2024 ter voorkoming van herhaling [eiser] een last onder dwangsom in combinatie met een last onder bestuursdwang opgelegd, voor de duur van twee jaar, om drie herstelmaatregelen te treffen. Bij een hercontrole op 1 augustus 2024 is vastgesteld dat [eiser] hieraan had voldaan.
Bezwaar en beroep door [eiser]
2.13.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen besluit 1 en het invorderingsbesluit, alsook tegen het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang.
2.14.
Bij beschikking op bezwaar van 19 juli 2022 heeft de Staat de bezwaren van [eiser] tegen besluit 1 en het invorderingsbesluit ongegrond verklaard.
2.15.
De Staat heeft het bezwaar tegen de spoedbestuursdwang op 21 juli 2022 ongegrond verklaard voor wat betreft de vastgestelde overtredingen en de toegepaste spoedbestuursdwang met betrekking tot hond [hond 6] , maar gegrond voor wat betreft toegepaste spoedbestuursdwang met betrekking tot de resterende overtredingen.
2.16.
[eiser] heeft vervolgens tegen de beslissing op bezwaar van 19 juli 2022 (inzake besluit 1 en het daarop gebaseerde invorderingsbesluit) en de beslissing op bezwaar van 21 juli 2022 (inzake de spoedbestuursdwang ten aanzien van hond [hond 6] en het verhaal van de kosten daarvan) beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).
2.17.
Bij uitspraak van 29 juli 2025 heeft het CBb uitspraak gedaan. Het CBb was van oordeel dat de Staat het invorderingsbesluit terecht heeft gehandhaafd voor zover dit de overtredingen betreft waarop de herstelmaatregelen 4, 5, 7 en 8 van besluit 1 zagen, maar niet waar dit herstelmaatregel 1 van dat besluit betrof (drinkwater voor de herdershonden). Over de spoedbestuursdwang ten aanzien van de hond [hond 6] oordeelde het CBb, voor zover hier van belang, als volgt:
“Het College is van oordeel dat de aan het besluit tot spoedbestuursdwang ten grondslag gelegde overtreding niet is komen vast te staan. Hoewel de hond, gezien de symptomen die de toezichthouder en de dierenarts waarnamen, zo spoedig mogelijk onderzocht moest worden, maakt het toezichtrapport hercontrole namelijk niet duidelijk dat deze symptomen voor [eiser] al op een eerder moment duidelijk hadden moeten of kunnen maken dat hij direct een dierenarts moest inschakelen. Niet uitgesloten is dat de symptomen van koorts en uitvloeiing zich op een later moment manifesteerden. Het toezichtrapport hercontrole maakt ook niet helder hoeveel tijd er sinds de bevalling was verstreken. Gelet op de daarin opgetekende mededeling van [naam ] [
de voormalige partner van [eiser] , toevoeging rechtbank] dat de pups twee dagen oud waren, is de minister van (op zijn minst) twee dagen uitgegaan. [eiser] en [naam ] hebben echter ter zitting van het College verklaard dat de negen pups in de nacht van 13 op 14 december 2021 zijn geboren. Dat is niet per se met de eerdere mededeling in tegenspraak en kan betekenen dat er sinds de bevalling mogelijk beduidend minder uren waren verstreken dan de minister aanneemt. Het feit dat [eiser] op 14 december 2021 nog geen afspraak met de dierenarts had gemaakt, wil verder niet zeggen dat het niet aannemelijk is dat hij hoe dan ook van plan was om op 15 december 2021 de dierenarts te bellen. Het feit dat niet van een overtreding kan worden gesproken, betekent dat de minister ook niet bevoegd was (spoed)bestuursdwang toe te passen.“
Het beroep van [eiser] is daarom gegrond verklaard, met vernietiging van de beslissingen op bezwaar en herroeping van het invorderingsbesluit, het besluit tot spoedbestuursdwang en het besluit om de kosten van bestuursdwang van € 60,22 op [eiser] te verhalen.
Aansprakelijkstelling
2.18.
Al vóór de uitspraak van het CBb heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor door hem geleden materiële en immateriële schade en om vergoeding daarvan verzocht.
2.19.
De Staat heeft het verzoek om schadevergoeding op 8 oktober 2024 afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en
aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade;
2. de Staat veroordeelt om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] een bedrag van € 84.800,- te betalen, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2021 tot en met de dag van volledige betaling;
een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, inclusief nakosten.
3.2.
Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. De Staat heeft op 15 december 2021 ten onrechte spoedbestuursdwang toegepast. Daarmee heeft de Staat jegens hem onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade. [eiser] heeft materiële schade (€ 76.800) geleden doordat vier honden ( [hond 6] , [hond 7] , [hond 5] en [hond 8] ) door de inbewaringneming zodanige stress hebben ondervonden dat hun loopsheid is uitgebleven en pas in oktober 2024 weer een nestje is gekomen. Uitgaande van acht puppy’s per nest en vier nesten per jaar, betekent dit een schade van 32 puppy’s á € 800 = € 25.600 per jaar. Over de periode 2022-2024 bedraagt de schade daarom € 76.800. Daarnaast heeft [eiser] immateriële schade geleden (€ 8.000) doordat hij psychische problemen heeft ondervonden ten gevolge van de inbewaringstelling van de dieren. [eiser] heeft, althans had, onder andere te kampen met een periodieke explosieve stoornis en mogelijk PTSS. Door de stressvolle situatie is voorts de relatie van [eiser] met zijn partner geëindigd.
3.3.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, en de wettelijke rente daarover.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] baseert zijn vorderingen op een door de Staat jegens hem gepleegde onrechtmatige daad.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang onrechtmatig is jegens [eiser] . Dit betekent dat [eiser] vergoeding kan vorderen van de schade die hij heeft geleden als gevolg van die onrechtmatige daad. Voor het slagen van die vordering is vereist dat er causaal verband bestaat tussen het feit dat de Staat spoedbestuursdwang heeft toegepast en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Als [eiser] aantoont dat hij
als gevolg vandie onrechtmatige bestuursdwang schade heeft geleden, komt die schade voor vergoeding in aanmerking.
Causaal verband?
4.3.
Of sprake is van causaal verband, moet worden beoordeeld door een vergelijking te maken tussen (i) de situatie die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en (ii) de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de Staat niet tot de onrechtmatige spoedbestuursdwang was overgegaan (vgl. Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:354).
4.4.
De rechtbank moet dus beoordelen wat er zou zijn gebeurd als de Staat niet tot de onrechtmatige spoedbestuursdwang was overgegaan. Aangezien het hierbij om een hypothetische situatie gaat, kan in beginsel worden volstaan met een aannemelijkheidsoordeel om deze situatie vast te stellen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat ook in de hypothetische situatie waarin de Staat had afgezien van de toepassing van spoedbestuursdwang de Staat zou zijn overgegaan tot inbewaringneming van de dieren van [eiser] . De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.6.
Uit het toezichtrapport van de districtsinspecteur van de LID dat is opgesteld naar aanleiding van de hercontrole op 15 december 2021, blijkt dat op die datum niet (volledig) aan besluit 1 (de op 1 december 2021 opgelegde last onder dwangsom) was voldaan. Uit de uitspraak van het CBb blijkt dat het de maatregelen 4 (inzake vervuilde huisvesting honden, katten en schildpadden), 5 (inzake bewegingsvrijheid van de Mechelse herders), 7 (inzake schildpaddenverblijf) en 8 (inzake ventilatie/verse lucht voor honden en katten) van besluit 1 betreft. Verder blijkt uit het toezichtrapport dat [eiser] op 15 december 2021 evenmin (volledig) aan besluit 2 (de last onder bestuursdwang van 1 december 2021) had voldaan, waar het maatregel 2 betreft (inzake de vervuilde vachten van de honden). Hierdoor was op 15 december 2021 nog steeds sprake van diverse overtredingen van de Wet Dieren en het Besluit houders van dieren (hierna: Bhvd).
Daarnaast werden op 15 december 2021 ook nog nieuwe overtredingen van de Wet Dieren en het Bhvd geconstateerd, ten aanzien van de kippen, en werd hond [hond 6] die recent was bevallen van 9 puppy’s met veel uitvloeiing, koorts en (deels) liggend in het bloed aangetroffen. Het CBb heeft ten aanzien van hond [hond 6] weliswaar geoordeeld dat geen sprake was van een overtreding maar heeft ook overwogen dat hond [hond 6] gezien de symptomen zo spoedig mogelijk moest worden onderzocht. Verder blijkt uit het verslag dierenartsverklaring gezelschapsdieren van 16 december 2021 dat de conditie/toestand van elk van de vier teefjes zou verslechteren zonder directe (medische) verzorging.
Gezien het laten voortbestaan van de eerder geconstateerde overtredingen door [eiser] , de geschetste gezondheidssituatie van hond [hond 6] en de verslechterende conditie van alle teefjes acht de rechtbank aannemelijk dat de Staat op 15 december 2021 [eiser] een last onder bestuursdwang zou hebben opgelegd met een begunstigingstermijn van (hooguit) een paar dagen, teneinde de nodige actie te ondernemen ter beëindiging van de geconstateerde overtredingen en ter verbetering van de gezondheidssituatie van hond [hond 6] .
Bij gebreke van een volledige beëindiging van overtredingen en een verbetering van de situatie van hond [hond 6] binnen de gestelde korte termijn zou de Staat dan alsnog tot bestuursdwang in de vorm van inbewaringneming van de dieren zijn overgegaan.
4.7.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog dat hij in de hypothetische situatie zelf (met hulp van familie) tijdig alle overtredingen zou hebben beëindigd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [eiser] er sinds de constatering van de overtredingen op 15 november 2021 niet in was geslaagd de situatie in een maand op orde te hebben, zodat niet aannemelijk is dat hem dit wel gelukt zou zijn binnen enkele dagen.
4.8.
De conclusie is daarom dat in de hypothetische situatie de Staat enkele dagen na 15 december 2021 zou zijn overgegaan tot inbewaringneming en de gestelde schade ook in dat geval zou zijn opgetreden. Daardoor ontbreekt het
condicio sine qua non verbandtussen de onrechtmatige daad jegens [eiser] en de gestelde schade, zodat [eiser] géén aanspraak heeft op schadevergoeding.
4.9.
Los daarvan heeft [eiser] zijn stelling dat hij schade heeft geleden doordat de spoedbestuursdwang heeft geleid tot het tot 2024 uitblijven van loopsheid bij zijn honden onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting daarvan door de Staat. Uit de door [eiser] ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde verklaring van zijn dierenarts van 8 juni 2024, dat “
Stress en/of tijdelijke uithuisplaatsing zou kunnen lijden tot tijdelijk uitblijven van loopsheid.”blijkt slechts dat in zijn algemeenheid stress en/of tijdelijke uithuisplaatsing tot
tijdelijkuitblijven van loopsheid
zou kunnen leiden.Bovendien dateert de verklaring van meer dan twee jaar na de datum van de inbewaringneming, en blijkt daaruit niet dat de betreffende honden door deze dierenarts zijn onderzocht naar aanleiding van het uitblijven van loopsheid in de periode na hun teruggave aan [eiser] . De verklaring is dan ook onvoldoende concreet voor de conclusie dat het uitblijven van loopsheid bij de honden van [eiser] , over een periode van jaren, is veroorzaakt door de inbewaringneming.
4.10.
De uitkomst van het voorgaande is dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden als gevolg van de spoedinbewaringneming op 15 december 2021. De Staat is daarom niet aansprakelijk voor de door [eiser] gestelde schade. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de ter zitting aangeboden bewijslevering ten aanzien van de hoogte van de gestelde schade.
4.11.
De overige verweren van de Staat behoeven gezien het vorenstaande geen bespreking meer.
4.12.
De gevorderde verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade, wordt afgewezen bij gebrek aan belang. Hiervoor is immers geoordeeld dat [eiser] geen recht heeft op vergoeding van zijn gestelde schade. Ook ten aanzien van nog te lijden schade ontbreekt een belang bij de gevorderde verklaring voor recht, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] nog andere schade zal lijden dan die in de huidige procedure is gesteld. Uit het voorgaande volgt dat ook de vorderingen tot betaling van € 84.800,- en de wettelijke rente daarover zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.13.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
3150