3.3.In het hiernavolgende zal de wrakingskamer achtereenvolgens de wrakingsgronden 1 tot en met 5, 9 en 10 beoordelen.
1. MICT-stukken:
De wrakingskamer leidt uit het e-mailbericht van 5 maart 2026 van de rechter-commissaris en hetgeen zij hierover ter zitting naar voren heeft gebracht af dat zij het MICT heeft benaderd over het verzoek van verzoeker om voeging van een stuk en dat zij geen informatie voor verzoeker heeft willen achterhouden. De rechter-commissaris erkent dat zij haar verzoek tot nadere toelichting aan verzoeker beter had kunnen uitleggen om verwarring te voorkomen. De wrakingskamer is met de rechter-commissaris eens dat een nadere uitleg wellicht de nodige duidelijkheid had kunnen verschaffen, maar is van oordeel dat het verzoek van de rechter-commissaris om nadere informatie geen blijk geeft van (de schijn van) vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom op dit punt afgewezen.
2. De vragen voor Guichaoua:
Uit het verweerschrift van de rechter-commissaris blijkt dat zij geen nadere vragen aan het Openbaar Ministerie heeft gesteld over vragen die het Openbaar Ministerie aan de deskundige wilde stellen, omdat zij daar inhoudelijk geen aanleiding toe zag. In het e-mailbericht van 5 maart 2026 heeft de rechter-commissaris uitgebreid en duidelijk gemotiveerd waarom zij wél aanleiding zag nadere vragen te stellen aan verzoeker, namelijk omdat onduidelijk is waarom verzoeker onderwerpen die al beschreven zijn nog aan een andere deskundige wil voorleggen. Het enkele feit dat de rechter-commissaris nadere vragen stelt aan verzoeker, maar niet aan het Openbaar Ministerie, vormt geen aanwijzing voor de schijn van vooringenomenheid. Daarom zal het verzoek op dit punt worden afgewezen.
3. Rogatoire reis Kenia:
De rechter-commissaris heeft ten aanzien hiervan het volgende geschreven in haar e-mailbericht aan de advocaten van verzoeker van 5 maart 2026:
“Zoals uit het proces-verbaal van bevindingen van de rogatoire reis van januari 2026 kan worden afgeleid, acht de rechter-commissaris zich onjuist en onvolledig geïnformeerd over onder meer de verblijfstatus en achtergrond van de getuigen A6 en A8 en de wijze waarop de getuigen vanuit Oeganda naar Kenia zouden reizen. Ook is de indruk ontstaan dat bij de grensovergang van de getuigen mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd, met medeweten van een lid van het verdedigingsteam. Dit raakt de positie van de rechter-commissaris (en de rogatoire commissie) en de rechtshulprelatie met de autoriteiten van het gastland. Hierbij nodigt de rechter-commissaris de verdediging uit om, in aanwezigheid van de officier van justitie, haar visie op de gang van zaken te geven en hierover verder — ook met het oog op toekomstige rogatoire reizen — van gedachten te wisselen. Graag vernemen wij van u of u beschikbaar bent voor deze bespreking na afloop van de pro forma zitting op 12 maart a.s. op het kabinet.”
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris deze e-mail juist uiterst voorzichtig en zorgvuldig heeft geformuleerd zodat hiermee geen objectief gerechtvaardigde (schijn van) vooringenomenheid is gewekt. Zij heeft voldoende toegelicht op basis waarvan bij haar een bepaalde indruk is ontstaan en nodigt - zonder verder oordeel - verzoeker en zijn advocaten daarom uit om daarover met haar in gesprek te gaan. De wrakingskamer leidt hieruit niets anders af dan dat de rechter-commissaris heeft gepoogd transparant te zijn en partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over een (mogelijk onjuiste) indruk die bij haar is ontstaan. Voor zover het wrakingsverzoek gegrond is op deze e-mail, wordt dit dus afgewezen.
De relevantie van de beslissing over de kosten van het horen van de getuigen ontgaat de wrakingskamer, mede omdat dit ter zitting niet nader is geconcretiseerd door verzoeker. Voor zover een discussie daarover al een afzonderlijke wrakingsgrond was, wordt deze daarom afgewezen.
4. Tijdsverloop tussen verzoeken en reactie rechter-commissaris:
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris in haar verweerschrift duidelijk heeft uitgelegd waarom zij ervoor heeft gekozen om (pas) op 3 maart 2026 te beslissen op een aantal onderzoekswensen. Uit het verweerschrift volgt duidelijk dat dit te maken had met de reeds geplande rogatoire reizen en verhoren en het feit dat het Openbaar Ministerie de gelegenheid diende te krijgen om op de onderzoekswensen van de verdediging te reageren. Die uitleg komt de wrakingskamer logisch voor en vormt geen aanwijzing voor (de schijn van) partijdigheid. Het wrakingsverzoek wordt daarom op dit punt afgewezen.
5. Motivering:
De door verzoeker aangevoerde wrakingsgrond met betrekking tot de eisen die de rechter-commissaris stelt aan de motivering van de verzoeken van de verdediging is onvoldoende concreet gemotiveerd. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de partijdigheid van de rechter-commissaris of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken, zeker nu dit ter zitting ook niet nader is toegelicht. Daarom wordt het verzoek ook op dit punt afgewezen.
9. PV van bevindingen (discrepanties):
De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter-commissaris in haar verweerschrift afdoende heeft toegelicht waarom zij van mening was dat dit onderdeel opgenomen diende te worden in het proces-verbaal van bevindingen. Zij benoemt dat dit belangrijk is in het kader van de veiligheid van de getuigen en de samenwerking met de Keniaanse autoriteiten en het Team Beschermde Getuigen. De wrakingskamer vindt dit niet onbegrijpelijk en is van oordeel dat het benoemen van discrepanties in verklaringen van getuigen zoals in het proces-verbaal van bevindingen geen blijk geeft van de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid. Het verzoek wordt op dit punt dan ook afgewezen.
10. PV van bevindingen (beschuldigingen):
In het proces-verbaal van bevindingen van 3 maart 2026 refereert de rechter-commissaris aan mededelingen van de advocaat van verzoeker tijden de regie-zitting van 27 november 2025. Uit het dossier blijkt dat geen proces-verbaal is opgemaakt van die regiezitting. De rechter-commissaris heeft ter zitting van de wrakingskamer uitgelegd waarom geen proces-verbaal is opgemaakt, namelijk omdat de regiezitting één dag voor een rogatoire reis plaatsvond en hetgeen is besproken al in andere processen-verbaal is opgenomen. De wrakingskamer vindt dit een begrijpelijke verklaring voor het ontbreken van een proces-verbaal van de regiezitting. Daarbij heeft de rechter-commissaris erkend dat zij op het moment van de regiezitting van 27 november 2025 de brief van de verdediging van 20 mei 2025 niet helder voor ogen had, maar dat hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen onder paragraaf 34 is opgenomen volgens haar juist is. De wrakingskamer leest in paragraaf 34 dat de rechter-commissaris vaststelt dat door de getuigen niet is verklaard conform de uitlatingen van de verdediging naar de rechter-commissaris bij de regiebijeenkomst van
27 november 2025 over eerdere verdenkingen en veroordelingen van deze getuigen. De rechter-commissaris wekt daarmee naar het oordeel van de wrakingskamer niet de suggestie dat de verdediging willens en wetens zou hebben gelogen. Daar komt bij dat later is gebleken dat een en ander heeft berust op een misverstand, omdat uit de e-mail van 20 mei 2025 blijkt dat de getuigen (wel) veroordeeld waren, en de verdediging en achteraf gezien ook de rechter-commissaris daarvan op de hoogte waren. Dit misverstand valt te betreuren, maar al met al ziet de wrakingskamer in hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen geen grond voor wraking van de rechter-commissaris.
Beoordeling gronden 6 t/m 8