ECLI:NL:RBDHA:2026:7349
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake arbeidstoestemming en verblijf als gezinslid
Verzoeker heeft een reguliere verblijfsvergunning als familie- of gezinslid aangevraagd, welke op 18 november 2025 door de minister is afgewezen. Verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening om een arbeidssticker te verkrijgen en de behandeling van het bezwaar in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen grondslag is voor het toekennen van een arbeidssticker, omdat dit buiten de reikwijdte van de procedure valt en verzoeker ook bij toekenning van de verblijfsvergunning niet automatisch werkgerechtigd zou zijn. Daarnaast is vastgesteld dat verzoeker het mvv-vereiste ten onrechte is tegengeworpen, maar dit leidt niet tot een redelijke kans van slagen van het bezwaar.
De minister heeft inhoudelijk getoetst aan artikel 8 EVRM Pro en blijft bij het standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de vergunning. De voorzieningenrechter acht de bezwaren van verzoeker onvoldoende om het bezwaar kansrijk te achten. Het verzoek om de voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en de arbeidssticker buiten de procedure valt.