ECLI:NL:RBDHA:2026:7363
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-inwilliging verblijfsvergunning asiel wegens Dublinverantwoordelijkheid Frankrijk
Verzoeker, een Nigeriaanse staatsburger, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 5 februari 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft in een gelijktijdige uitspraak het beroep kennelijk ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet-inwilligen van de asielaanvraag wordt afgewezen.