Eiser, een Turkse asielzoeker, diende op 6 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien eiser daar op 5 september 2025 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend.
Eiser voerde aan dat in Kroatië geen effectieve beroepsmogelijkheid bestaat tegen afwijzingen in de versnelde procedure, wat volgens hem een systeemfout oplevert en hem blootstelt aan schending van zijn rechten. Hij verwees naar een arrest Y.K. en het AIDA-rapport 2025.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Kroatië, beide partijen bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het Kroatische asielsysteem.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.