Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL26.16272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 20 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Turkse asielzoeker, diende op 6 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien eiser daar op 5 september 2025 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend.

Eiser voerde aan dat in Kroatië geen effectieve beroepsmogelijkheid bestaat tegen afwijzingen in de versnelde procedure, wat volgens hem een systeemfout oplevert en hem blootstelt aan schending van zijn rechten. Hij verwees naar een arrest Y.K. en het AIDA-rapport 2025.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Kroatië, beide partijen bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat er sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het Kroatische asielsysteem.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16272

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 5 september 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Verweerder betwist niet dat in Kroatië ook de asielaanvragen van Turkse asielzoekers in de versnelde procedure worden behandeld. Uit het in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport uit 2025 volgt dat beroepen tegen afwijzende beschikkingen in de versnelde procedure geen opschortende werking hebben. In het arrest Y.K. tegen Kroatië is duidelijk geformuleerd dat een beroepsprocedure zonder opschortende werking niet kan worden aangemerkt als een ‘effective remedy’. Volgens eiser levert het ontbreken van een effective remedy in Koratië een systeemfout op in de asielprocedure en heeft hij aannemelijk gemaakt dat ook hij daar het slachtoffer van kan worden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024 [3] en 20 augustus 2025. [4] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Het door eiser aangehaalde arrest Y.K. vormt geen aanwijzing voor een andere conclusie, nu het geen gelijksoortige situatie betreft. In die zaak ging het om een vreemdeling die Kroatië illegaal was binnengekomen en geen effective remedy had om zijn uitzetting aan te vechten. Eiser zal in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten en daarmee toegang hebben tot de Kroatische asielprocedure. Verder kan uit de omstandigheid dat in de door eiser aangehaalde zaak geen sprake was van een effective remedy, niet worden afgeleid dat sprake is van structurele tekortkomingen in de algehele asielprocedure in Kroatië, dan wel van systeemfouten. Uit de door eiser ingebrachte informatie kan dit – mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4 is overwogen – evenmin worden afgeleid.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.