Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL26.15280
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArtikel 15 TerugkeerrichtlijnArtikel 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring wegens niet tijdig verlengingsbesluit

Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat het verlengingsbesluit te laat was genomen, mede op basis van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.

De rechtbank overweegt dat het arrest Aroja bepaalt dat alle perioden van bewaring bij elkaar moeten worden opgeteld en dat een verlengingsbesluit tijdig moet worden genomen vóór het verstrijken van de maximale termijn. Hoewel het verlengingsbesluit in deze zaak later dan volgens Aroja had moeten plaatsvinden, leidt dit niet automatisch tot onrechtmatigheid van de bewaring, zeker niet omdat de maximale duur van achttien maanden niet is overschreden en aan de materiële voorwaarden is voldaan.

Eiser heeft de gronden voor de bewaring niet bestreden en de rechtbank acht deze voldoende. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem op 1 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15280

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Libische nationaliteit te hebben.
Bij besluit van 11 april 2025 heeft verweerder aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw. [1] Deze maatregel van bewaring is op 23 mei 2025 opgeheven in verband met eisers strafrechtelijke detentie van 23 mei 2025 tot 18 juni 2025. Bij besluit van 18 juni 2025 heeft verweerder aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Op 25 juni 2025 is deze maatregel van bewaring opgeheven. Bij besluit van 26 juni 2025 heeft verweerder aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vw. Op 29 december 2025 is deze maatregel van bewaring opgeheven. Bij besluit van 29 december 2025 heeft verweerder aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Deze maatregel van bewaring is op 16 maart 2026 opgeheven.
Verlengingsbesluit
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat door de uitspraak van het Hof [2] van 5 maart 2026 (hierna: het arrest Aroja), [3] niet kan worden uitgegaan van een rechtmatige inbewaringstelling van eiser. Gelet op de uitleg die dit arrest geeft aan artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, [4] moeten alle periodes die eiser in bewaring heeft doorgebracht worden meegenomen bij de berekening van de zesmaandentermijn zoals bedoeld in het vijfde lid van dit artikel en dient deze termijn ook in acht genomen te worden bij een te nemen verlengingsbesluit op grond van het zesde lid van dit artikel. Eisers inbewaringstelling van 11 april 2025 tot 23 mei 2025 en zijn inbewaringstelling vanaf 26 juni 2025 zijn ten onrechte niet meegenomen bij deze beoordeling door verweerder en daar is ook door de rechtbank [5] en Afdeling [6] [7] in de daarop volgende uitspraken geen rekening mee gehouden. Met inachtneming van het arrest Aroja had verweerder - achteraf gezien - niet tot uiterlijk 22 december 2025 de gelegenheid om een verlengingsbesluit te nemen, maar had dit verlengingsbesluit al in oktober 2025 genomen moeten worden. Omdat het verlengingsbesluit van 23 december 2025 dus te laat is genomen en derhalve onrechtmatig is, heeft er ook geen tijdige rechterlijke toetsing plaatsgevonden. Hierdoor moet worden geconstateerd dat het verlengingsbesluit - achteraf bezien - ruim 51 dagen te laat is genomen. In combinatie met de omstandigheid dat de vorige bewaring te laat is omgezet (waartegen eiser apart beroep zal instellen) is er sprake van een ernstige schending van eisers rechten. Dit betekent dat eiser in vrijheid dient te worden gesteld en de huidige maatregel van bewaring onrechtmatig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar moeten worden opgeteld. Uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest volgt verder dat vóór het verstrijken van de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden een verlengingsbesluit moet worden genomen.
5. Eiser stelt dat de huidige maatregel onrechtmatig is omdat in zijn geval te laat is besloten tot het verlengen van de duur van de bewaring. Het verlengingsbesluit van 23 december 2025 ligt hier echter niet ter beoordeling voor en valt buiten de omvang van het geschil. Daarnaast zou eisers standpunt in beroep neerkomen op een (verkapt) verzoek om herziening van eerder gedane - onherroepelijke - rechterlijke uitspraken van de rechtbank en de Afdeling in de bewaringszaken van eiser. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid. Een novum dient van feitelijke aard te zijn. De gestelde eerdere onjuiste toepassing van het recht, noch nieuwe jurisprudentie zijn een grond voor herziening van onherroepelijke rechterlijke uitspraken.
6. Voor zover eiser met zijn beroepsgrond stelt dat het verlengingsbesluit niet spoedig aan een rechterlijke toetsing is onderworpen, overweegt de rechtbank dat dit niet automatisch tot gevolg heeft dat de bewaring onrechtmatig is en beëindigd moet worden. Het Hof heeft in het arrest Aroja overwogen dat, indien aan alle materiële voorwaarden voor de handhaving van een inbewaringstelling is voldaan en de maximale duur van achttien maanden - zoals bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn - niet is verstreken, een dergelijke verplichting niet bestaat. [8] In onderhavige geval is de maximale duur van inbewaringstelling van achttien maanden niet verstreken en verder is ook voldaan aan de materiële voorwaarden voor de bewaring. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt:
Maatregel van bewaring
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [9] vermeld dat eiser:
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
Als lichte gronden [10] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toets
9. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie
3.ECLI:EU:C:2026:148.
4.Richtlijn 2008/115/EG.
5.In haar uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2026:1004
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Uitspraak van 6 februari 2026 met het kenmerk: ECLI:RVS:2026:656.
8.Zoals bedoeld in rechtsoverweging 100 van het arrest Aroja, ECLI:EU:C:2026:148.
9.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
10.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.