Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
asielaanvraagin te dienen en geen enkele vraag is gesteld of eiser voornemens is om daadwerkelijk verklaringen over asielmotieven af te leggen en ook de beslissing op die aanvraag af te wachten. In dit bewaringsgehoor hoeft niet te worden onderzocht of sprake is van een refoulementrisico omdat dit nu juist in de asielprocedure geschiedt na een gehoor door een specifiek daartoe opgeleide hoormedewerker van de IND. Deze vragen naar de vrees bij terugkeer zijn wel relevant als een maatregel wordt overwogen om de terugkeer te verzekeren. In dat geval moet namelijk voorafgaand aan de oplegging van de maatregel worden beoordeeld of
het beginsel van non-refoulement aan de verwijdering in de weg staat. Als dat zo is bestaat er immers geen zicht op uitzetting en dit moet worden beoordeeld voorafgaand aan het opleggen van de maatregel ter fine van verwijdering. Deze vragen hebben dus een ander doel en daarom ook een andere strekking en inhoud.
-inhoudelijk - te relateren was aan de grondslag waar de uiteindelijk opgelegde maatregel op was gebaseerd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 maart 2026 onder meer het navolgende overwogen:
Beslissing
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;