ECLI:NL:RBDHA:2026:7562
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsdocument EU voor verzorgende ouder op grond van belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsdocument EU als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse zoon. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af, stellende dat eiser verblijfsrecht in Duitsland heeft en zijn zoon daardoor niet gedwongen wordt de EU te verlaten.
Eiser voerde aan dat hem een afgeleid verblijfsrecht toekomt en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in zijn voordeel moet uitvallen, onder meer vanwege het gezinsleven en de omgang met de kinderen van zijn partner. De rechtbank oordeelde dat het arrest van het Hof van Justitie van de EU zich beperkt tot situaties waarin het kind het grondgebied van de EU zou moeten verlaten, wat hier niet het geval is.
De rechtbank stelde vast dat verweerder alle relevante belangen heeft meegewogen en dat de belangenafweging een fair balance vormt tussen het privéleven van eiser en het algemene belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij speelde mee dat eiser sinds 2016 in Duitsland woont, de taal spreekt en familie daar heeft, terwijl hij korter in Nederland verblijft en de taal niet spreekt.
De rechtbank concludeerde dat geen uitzonderlijke omstandigheden zijn gebleken die een schending van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument EU wordt ongegrond verklaard omdat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM in het nadeel van eiser uitvalt.