ECLI:NL:RBDHA:2026:7605
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen oplegging terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, kreeg op 6 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en voerde meerdere gronden aan, waaronder dat hij op 16 september 2025 een aanvraag voor een EU-verblijfsdocument had ingediend, dat het terugkeerbesluit prematuur was vanwege de bevriezingsmaatregel, dat het land van herkomst niet correct was vermeld en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn privéleven en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit op het moment van oplegging rechtmatig was omdat eiser toen nog geen procedureel rechtmatig verblijf had. De bevriezingsmaatregel vormde geen beletsel voor het opleggen van het besluit. Het ontbreken van een expliciete vermelding van het land van herkomst in het besluit was niet onrechtmatig, mede omdat eiser niet betwistte dat Nigeria zijn land van herkomst is. De minister hoefde geen belangenafweging te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro bij beëindiging van de tijdelijke bescherming, maar hield wel rekening met relevante belangen zoals het gezinsleven en non-refoulement volgens Richtlijn 2008/115/EG.
Eiser had de mogelijkheid een zienswijze in te dienen en heeft daarvan gebruikgemaakt, waardoor het standpunt dat hij niet is gehoord niet slaagt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier V. Vegter op 2 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het besluit is bevestigd.