Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/684931 / HA ZA 25-409
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 6:203 BWArt. 6:212 BWArt. 6:213 BWArt. 6:248 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gezamenlijke woning en verrekening kosten na beëindiging informele samenwoning

Partijen, ex-partners zonder samenlevingscontract, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die na hun relatie beëindigd is. De vrouw verliet de woning, de man bleef er wonen en betaalt sinds februari 2025 de hypotheek.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een eenvoudige gemeenschap en dat de woning verdeeld moet worden. De man krijgt de mogelijkheid de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde, mits hij de vrouw ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid en de helft van de overwaarde betaalt. Indien dit niet lukt, volgt verkoop aan een derde.

Verder zijn er vorderingen tot verrekening van kosten van de huishouding en investeringen in de woning. De rechtbank beoordeelt deze aan de hand van het verbintenissenrecht voor informeel samenwonenden en wijst de meeste vorderingen toe, waarbij de man een netto bedrag aan de vrouw moet betalen.

Vorderingen over kinderalimentatie worden afgewezen wegens onjuiste procedure. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij eigen kosten draagt.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat gedetailleerde bepalingen over de afwikkeling van de woning en financiële verhoudingen.

Uitkomst: De man krijgt de mogelijkheid de woning over te nemen onder voorwaarden, anders verkoop aan derde, met verrekening van kosten en investeringen tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/684931 / HA ZA 25-409
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats],
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege,
tegen
[de man]te [woonplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.C.G.J. van der Linden.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
Partijen zijn ex-partners. Tijdens hun relatie hebben partijen gezamenlijk een woning gekocht. Na het einde van de relatie heeft de vrouw de woning verlaten. Beide partijen vorderen verdeling van de woning, waarbij de vrouw wenst dat de woning aan een derde wordt verkocht, terwijl de man de woning toebedeeld wenst te krijgen. De rechtbank oordeelt dat de man de kans krijgt de woning over te nemen en als dat niet lukt, dat de woning dan aan een derde moet worden verkocht. Partijen hebben ook over en weer betaling gevorderd van verschillende kosten die zij (mede) ten behoeve van de ander hebben gemaakt. Deze vorderingen worden deels toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 28 april 2025 met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 3;
  • de conclusie van antwoord in reconventie met producties 5 tot en met 13.
2.2.
Op 5 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over een door hen te benoemen makelaar voor de taxatie van hun gemeenschappelijke woning. Deze overeenstemming hebben ze vastgelegd in een proces-verbaal.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
Partijen hebben tot medio 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben geen samenlevingscontract opgesteld. Partijen zijn ouders van een (minderjarige) zoon.
3.2.
Partijen zijn in 2021 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar geworden van het appartementsrecht aan de [adres 1] ([postcode]) te [plaats] (hierna: de woning).
3.3.
In verband met de aanschaf van de woning (koopsom inclusief notariskosten, leges en makelaarskosten: € 491.370,81) hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten bij ING Bank N.V. voor een bedrag van € 250.000 onder hoofdelijke aansprakelijkheid van hen beiden. De overige € 241.370,81 hebben partijen uit eigen middelen voldaan.
3.4.
Sinds februari 2025 betaalt de man (als enige) de hypotheekaflossingen. De hypotheekschuld bedroeg in februari 2025 € 234.714,83.
3.5.
De vrouw heeft de woning in juni 2024 verlaten. De man is in de woning blijven wonen.
3.6.
De vrouw is eigenaar van een woning aan de [adres 2] te [plaats] (hierna: de woning aan de [straatnaam]). De man heeft uit eigen middelen de (resterende) hypothecaire lening die de vrouw had afgesloten voor de aankoop van deze woning, afgelost.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
De vrouw vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de woning wordt verkocht op de wijze zoals weergegeven onder punt I van het petitum van de dagvaarding;
II. de vordering van de vrouw op de man ter zake de verrekening van de kosten van de huishouding vaststelt op een bedrag van € 64.114,04, althans op zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren en de man verplicht om aan de vrouw het vastgestelde bedrag te voldoen;
III. de man verplicht tot nakoming van de gemaakte afspraak waarbij de man zich heeft verplicht om met ingang van 21 januari 2025, een bedrag van € 441 per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon van partijen te voldoen;
IV. bepaalt dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw een bedrag van € 3.087 verschuldigd is;
V. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.2.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
In reconventie
4.3.
Daarnaast vordert de man in reconventie dat de rechtbank:
I. bepaalt dat partijen de reeds gemaakte afspraken moeten nakomen;
II. bepaalt dat de vrouw inzage dient te geven in de huuropbrengsten van de woning aan de [straatnaam], vanaf het moment van inlossing van de hypotheek door de man;
III. de verdeling van de gemeenschap vaststelt, waarbij:
a. de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over nemen tegen de getaxeerde waarde van € 735.000, waaraan de vrouw haar onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen;
b. voor recht wordt bepaald dat de inleg van privégelden voor een bedrag van
€ 158.349,25 aan de man wordt toegekend, en € 35.021,56 aan de vrouw;
c. voor recht wordt bepaald dat de waarborgsom als inleg zijdens de man gerekend dient te worden;
d. de vrouw aan de man € 85.663,85 dient te voldoen uit hoofde van de regresvordering voor zijn aandeel ten tijde van de aanschaf van de woning;
e. het volledige aandeel van de vrouw in de eenvoudige gemeenschap na verrekening van de kosten van huishouding en inleg in de woning op € 2.351,87 wordt bepaald; en subsidiair op dit punt als voorwaardelijke vordering te bepalen dat het door de man geïnvesteerde geld in de woning van de vrouw aan de [adres 2] te [plaats] door de vrouw aan de man vergoed moet worden indien deze investering niet in de verdeling van de [adres 1] te [plaats] wordt meegenomen;
f. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag zoals onder e. genoemd
moet voldoen, waarna partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en welk bedrag tevens heeft te gelden als uitkoop voor de woning, onder de voorwaarde van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening waarbij subsidiair geldt:
g. indien de woning verkocht wordt aan een derde, de man recht heeft op vergoeding van zijn inleg zoals genoemd onder b. en d., en waarbij de vrouw aan de man € 144.120,23 moet voldoen uit hoofde van een tekort aan bijdrage aan de gemeenschappelijke huishouding.
4.4.
De vrouw voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man.
In conventie en in reconventie
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De vorderingen van partijen hebben betrekking hebben op de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun affectieve relatie. Daarom worden de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie gezamenlijk beoordeeld.
Afspraken tot stand gekomen tussen partijen?
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gezegd dat hij niet langer nakoming vordert van tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de woning en de overige financiële afwikkeling van de samenleving, omdat er tussen partijen geen overeenstemming is bereikt. De vordering onder I in reconventie behoeft daarom geen bespreking meer.
De woning
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn (voor gelijke delen) van de woning. Niet in geschil is dat wat betreft deze woning sprake is van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Partijen zijn het er ook over eens dat de gezamenlijke woning moet worden verdeeld. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop hieraan uitvoering moet worden gegeven.
5.4.
De vrouw wil primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, terwijl de man primair wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld. Nu de man na het uiteengaan van partijen in de woning is blijven wonen en daar ook wil blijven wonen, zal de rechtbank hem in de gelegenheid stellen om te onderzoeken of hij de benodigde financiering kan krijgen om de woning over te nemen onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.
5.5.
Voor de vraag of de man in staat is de woning over te nemen, is onder meer van belang van welke waarde van de woning moet worden uitgegaan. Partijen zijn het er in dit verband over eens dat de woning moet worden getaxeerd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, waarin zij zijn overeengekomen dat de woning (buiten aanwezigheid van partijen) zal worden getaxeerd door Scoop makelaars te Den Haag (hierna: de makelaar).
5.6.
De rechtbank zal in het dictum bepalen dat de woning aan de man wordt toegedeeld onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen een termijn van drie maanden na de datum van het taxatierapport van de makelaar aan de vrouw aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen tegen betaling van de helft van de overwaarde (getaxeerde waarde -/- hypotheekschuld) aan de vrouw en (ii) de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man sinds februari 2025 de aflossingen van de hypotheekschuld geheel voor zijn rekening neemt, zal bij de berekening van de overwaarde worden uitgegaan van de hoogte van de hypotheekschuld in februari 2025, zijnde een bedrag van € 234.714,83.
5.7.
Als het de man niet lukt om de benodigde financiering te krijgen, zal de woning alsnog moeten worden verkocht aan een derde. De rechtbank zal in het dictum bepalen op welke wijze dit alsdan moet geschieden. De vrouw heeft nog gevorderd dat de rechtbank bepaalt dat de man verplicht is mee te werken aan, op advies van de makelaar, te verrichten noodzakelijk onderhoud en herstel van de woning en dat ieder van partijen gehouden is de helft van de daarvoor noodzakelijke kosten te voldoen. De rechtbank zal de man veroordelen om de makelaar alle medewerking te verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning. Het gaat echter te ver om de man te veroordelen het door de makelaar noodzakelijk geachte onderhoud en herstel te verrichten. Dit is iets waarvoor onderling overleg tussen partijen noodzakelijk is, omdat het een afweging van partijen is welke investeringen zij nog willen doen in de woning. Ook ziet de rechtbank, gelet op de opstelling van de man tijdens de mondelinge behandeling, geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.
Vorderingen tot betaling van vergoedingen
5.8.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning. In beginsel komt de overwaarde van deze woning partijen daarom bij helfte toe. De man stelt evenwel dat hij een aantal vorderingen heeft op de vrouw, die hij wil verrekenen met (het aan de vrouw toekomende deel van) de overwaarde. Het betreft (i) een vordering op de vrouw omdat de man bij de aanschaf van de woning met eigen middelen meer in de gezamenlijke woning heeft geïnvesteerd dan de vrouw, (ii) een vordering omdat de man uit eigen middelen de hypotheekschuld op de woning van de vrouw aan de [straatnaam] heeft afgelost en (iii) vorderingen wegens kosten die de man meer heeft betaald dan de vrouw ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding over de jaren 2021 en 2022. De vrouw vordert op haar beurt (i) (vergoeding van) door haar meer gemaakte kosten dan de man ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding over de jaren 2020 tot en met 2024 en (ii) vergoeding van overige kosten die zij voor de man heeft betaald.
5.9.
De rechtbank stelt voorop dat partijen niet met elkaar getrouwd waren en ook geen geregistreerd partnerschap hadden. Dat betekent dat gedurende de relatie van partijen sprake was van ‘informeel samenwonenden’. In zijn arrest van 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707 heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat de financiële relatie tussen informeel samenwonenden niet moet worden beoordeeld analoog aan hetgeen in Boek 1 BW is bepaald voor echtgenoten of geregistreerd partners. De financiële relatie van informeel samenwonenden moet worden bepaald aan de hand van de regels van het algemeen verbintenissenrecht. Dit houdt in dat onderzocht moet worden of tussen partijen een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in artikel 6:248 lid 1 BW Pro bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (artikel 6:213 BW Pro). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat partijen met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijk dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast zou een vordering van de ene partij op de andere partij gegrond kunnen zijn op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro).
Inbreng uit privévermogen bij aankoop woning
5.10.
Tussen partijen staat vast dat zij een bedrag van € 241.370,81 uit eigen middelen hebben aangewend voor de aanschaf van de woning. Er is een waarborgsom voldaan van
€ 48.000. Daarnaast is van de gezamenlijke rekening van partijen een bedrag van
€ 193.370,81 overgemaakt naar de notaris ten behoeve van de aankoopsom. Niet in geschil is dat de man een hoger bedrag uit eigen middelen heeft bijgedragen aan de koopsom van de woning dan de vrouw. Partijen zijn het er verder over eens dat zij hebben afgesproken dat ieder van hen een gelijke bijdrage zou leveren bij de aankoop van de woning en dat de man – nu hij meer heeft bijgedragen – een vordering heeft op de vrouw. Partijen zijn het echter niet eens over de hoogte van de door hen beiden gedane investeringen en de daaruit voortvloeiende hoogte van de vordering van de man op de vrouw.
5.11.
De vrouw stelt dat zij € 40.000 uit eigen middelen heeft geïnvesteerd bij de aankoop van de woning en dat de man het resterende bedrag heeft gefinancierd. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat dit bedrag is aangewend voor (gedeeltelijke) betaling van de waarborgsom en subsidiair dat het is gebruikt ten behoeve van de financiering van de aankoopsom. Indien – zoals de man stelt – blijkt dat niet de vrouw, maar de ouders van de man de waarborgsom hebben voldaan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat dit een schenking aan partijen gezamenlijk betrof en niet enkel aan de man.
5.12.
De man stelt dat hij een bedrag van € 158.349,25 uit eigen middelen heeft ingebracht bij de aankoop van de woning. Daarnaast hebben de ouders van de man de waarborgsom ter hoogte van € 48.000 aan de notaris voldaan. De betaling van de waarborgsom betrof volgens de man een schenking van de ouders van de man aan hem. Dit brengt met zich dat de man in totaal een bedrag van € 206.349,25 heeft geïnvesteerd. De vrouw heeft volgens de man € 35.021,56 uit eigen middelen betaald bij de aanschaf van de woning. Weliswaar heeft de vrouw op 23 mei 2021 € 40.000 op de gezamenlijke rekening gestort, maar van dit bedrag is vervolgens op 7 juni 2021 een factuur betaald aan Motec Installatie Techniek ter hoogte van € 4.978,44. Dit brengt met zich dat enkel het resterende bedrag van € 35.021,56 is aangewend voor de woning.
5.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat de vrouw op 23 mei 2021 € 40.000 heeft overgemaakt naar de gemeenschappelijke rekening van partijen en dat de man op 29 juni 2021 twee bedragen heeft gestort van respectievelijk
€ 126.0000 en € 33.000. Vervolgens is er vanaf voornoemde rekening op 29 juni 2021 een betaling gedaan aan de notaris van € 193.370,81 ten behoeve van de aankoop van de woning. Blijkens de overgelegde nota van de notaris was op het moment dat deze betaling werd gedaan de waarborgsom al betaald. Dit betekent dat de waarborgsom niet (gedeeltelijk) is voldaan door de vrouw. Kennelijk is dit bedrag door de ouders van de man gefinancierd. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat partijen hierover afspraken hebben gemaakt. De vrouw stelt weliswaar dat de ouders van de man dit bedrag ook aan haar hebben geschonken, maar zij heeft deze stelling niet nader toegelicht. Dat had wel op haar weg gelegen, nu in het algemeen geldt dat schenkingen van ouders alleen aan eigen kinderen worden gedaan. De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat de ouders van de man dit bedrag aan de man hebben geschonken.
5.14.
Op grond van het voorgaande neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de man
(€ 158.349,25 + € 48.000 =) € 206.349,25 uit eigen middelen heeft aangewend voor de aankoopsom van de woning en de vrouw € 40.000. De rechtbank laat de betaling aan Motec Installatie Techniek in dit verband buiten beschouwing. Weliswaar komen de opgetelde bedragen hiermee uit op een iets hoger bedrag dan € 241.370,85, maar dit maakt in de onderlinge verhouding tussen partijen uiteindelijk niet uit, nu zij het erover eens zijn dat ook kosten van de huishouding tussen hen moeten worden verrekend. Dit brengt met zich dat de man uit hoofde van zijn inbreng bij de aankoop van de woning een vordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 206.349,25 min € 40.000 gedeeld door twee is € 83.174,63.
Ten aanzien van de aflossing van de hypothecaire geldlening voor de woning aan de [straatnaam]
5.15.
Uit de door partijen overgelegde betaaloverzichten blijkt dat de man op 3 mei 2022 een bedrag van € 50.000 uit zijn privévermogen op de gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestort en op 9 november 2022 nog eens een bedrag van € 95.000. Vervolgens is vanaf genoemde gemeenschappelijke rekening (in drie termijnen) een bedrag van € 144.827,38 overgemaakt naar de Rabobank. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag is aangewend om de hypothecaire geldlening van de vrouw – die was verbonden aan de woning aan de [straatnaam] – af te lossen.
5.16.
De man vordert betaling van dit bedrag door de vrouw. Hij stelt dat de hypotheek van de woning aan de [straatnaam] moest worden afgelost, vanwege de aanschaf van de woning. De vrouw betwist dat zij de door de man gedane aflossing aan hem moet terugbetalen en dat de afbetaling noodzakelijk was voor de aanschaf van de woning. Volgens de vrouw heeft de man geen vordering op haar, nu hij er zelf voor heeft gekozen om de schuld van de vrouw af te lossen. Bovendien hebben partijen niet afgesproken dat de vrouw de aflossing aan de man moet terugbetalen. Ook heeft ze aangevoerd dat zij steeds de kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft betaald waardoor ze niet heeft kunnen sparen en dat de man steeds wel zijn volledige salaris heeft kunnen sparen. Ook heeft ze aangevoerd dat het bedrag door de ouders van de man is geschonken.
5.17.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat het (enkel) de eigen keuze was van de man om de schuld van de vrouw af te lossen, dat de vrouw dit niet wilde en dat zij daarom niet gehouden is de aflossing terug te betalen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat de vrouw degene was die de aflossingen vanaf de gemeenschappelijke rekening betaalde. Hoewel de vrouw in eerste instantie aangaf dat zij zich dit niet kon herinneren, liet zij zich later tijdens de mondelinge behandeling op zodanige wijze uit dat hieruit kon worden afgeleid dat zij de bedragen inderdaad heeft overgemaakt vanaf de gemeenschappelijke rekening.
5.18.
De rechtbank overweegt dat de man uit eigen middelen bedragen op de gemeenschappelijke rekening heeft overgemaakt. Van een schenking van de ouders van de man aan partijen is dan ook geen sprake. Met het door de man gestorte bedrag heeft de vrouw met instemming van de man haar schuld voor de woning aan de [straatnaam] afgelost. Dit terwijl de man voor deze schuld niet draagplichtig was. De vrouw heeft geprofiteerd van het overgemaakte bedrag, omdat haar hypothecaire lening ermee is afgelost. Vaststaat dat partijen geen afspraken over het door de man betaalde bedrag hebben gemaakt. Gelet op de hoogte van het bedrag mocht de vrouw niet ervan uitgaan dat de man het bedrag aan haar wilde schenken. De redelijkheid en billijkheid tussen partijen brengt dan mee dat de vrouw het bedrag aan de man moet terugbetalen. Voor zover de vrouw stelt dat dit niet eerlijk is omdat zij meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Deze kosten worden immers tussen partijen verrekend, zoals de rechtbank onder 5.20 en verder zal bepalen. Dit een en ander brengt met zich dat de man een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van het gehele door de man voldane bedrag van € 144.827,38.
5.19.
Nu de rechtbank de vordering van de man toewijst, hoeft niet meer te worden beslist op de (naar de rechtbank begrijpt) voorwaardelijke vordering van de man die ertoe strekt dat de vrouw inzage moet geven in de door haar verkregen huuropbrengsten uit de verhuur van de woning aan de [straatnaam] vanaf het moment dat de man de hypotheekschuld heeft afgelost.
Verrekening kosten huishouding
5.20.
Partijen zijn het erover eens dat ieder van partijen draagplichtig was voor de helft van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding over de jaren 2020 tot en met 2024. Voor zover een van partijen meer heeft bijgedragen dan de helft, heeft deze partij nog een vordering op de andere partij voor het meer betaalde. Partijen hebben in dit verband over en weer vorderingen ingediend. De man is in zijn berekeningen van de kosten van de huishouding enkel uitgegaan van de stortingen die partijen hebben gedaan op de gemeenschappelijke rekening (die voornamelijk zijn aangewend voor hypotheek(rente)aflossingen). De vrouw heeft hiernaast ook rekening gehouden met overige kosten die zij heeft betaald vanaf haar privérekening (en met betalingen die de man in dit verband aan haar heeft verricht).
5.21.
De rechtbank stelt voorop dat alle kosten van de huishouding in de verrekening moeten worden meegenomen. De rechtbank zal de berekeningen van de vrouw daarom als uitgangspunt nemen. Per jaar zal de rechtbank beoordelen hoe de kosten van de huishouding moeten worden verrekend.
2020
5.22.
De vrouw stelt dat zij over de periode april 2020 tot en met december 2020 een bedrag van € 32.909,13 heeft betaald voor de kosten van de huishouding. Verder stelt de vrouw (onbetwist) dat de man aan haar een bedrag van € 2.865 heeft betaald voor deze kosten. Dit leidt tot een vordering van de vrouw op de man van € 15.022,07, aldus de vrouw
.De man heeft over het jaar 2020 geen vordering ingediend.
5.23.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft haar vordering inzake de verrekening van de kosten van de huishouding summier onderbouwd. De vrouw stelt enkel dat zij een bedrag van € 32.909,13 heeft besteed aan de kosten van de huishouding, maar zij heeft in de dagvaarding niet toegelicht hoe dit bedrag is opgebouwd. Ter onderbouwing van de door haar gedane uitgaven verwijst de vrouw naar een bij de conclusie van antwoord in reconventie overgelegd overzicht van door haar verrichte betalingen (zonder de onderliggende bankafschriften). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gezegd dat de door de vrouw opgevoerde kosten voor gas/water/licht, Netflix, Videoland, Ziggo, kinderopvang en Vve-bijdragen als gemeenschappelijke kosten kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft aan de hand van het door de vrouw overgelegde overzicht voor één maand de hoogte van deze kosten berekend en het resulterende bedrag als uitgangspunt genomen voor de overige maanden van het jaar. De rechtbank heeft hierbij ook de kosten van de gemeentelijke belastingen betrokken. Dit leidt tot een bedrag van
€ 1.856,53 per maand en tot een bedrag van (9 x € 1.856,53 =) € 16.708,77 over de maanden april tot en met december.
5.24.
Naast voornoemde uitgaven moet ook rekening worden gehouden met de kosten voor de boodschappen. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw altijd de boodschappen deed. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat partijen aanzienlijk meer geld uitgaven aan boodschappen dan een gemiddeld gezin en dat ze geregeld eten bestelden. De man heeft desgevraagd gezegd dat hij nooit lette op wat er aan boodschappen werd uitgegeven en dat partijen inderdaad af en toe eten bestelden. De rechtbank zal de kosten voor de boodschappen berekenen aan de hand van de richtbedragen per dag van het Nibud, dat uitgaat van € 8,55 per dag voor een man, € 7,72 per dag voor een vrouw en € 3,12 per dag voor een kind met een korting van 15% omdat het een driepersoonshuishouden betreft. Nu de vrouw heeft gesteld dat partijen in dit verband meer kosten maakten dan gemiddeld en de man dit niet, althans onvoldoende heeft weersproken, ziet de rechtbank aanleiding om deze richtbedragen te verdubbelen. Dit leidt tot een bedrag van € 32,96 per dag. Dit levert een bedrag op van € 1.002,53 per maand. De rechtbank telt hier nog een bedrag van € 250 per maand bij op voor overige kosten zoals luiers, aankopen bij de drogist, cadeaus, vervoer en af en toe eten bestellen. Hieruit volgt een maandelijks bedrag ten behoeve van de kosten van de huishouding van € 1.252,53 en een bedrag van (9 x € 1.252,53 =) € 11.272,77 over de maanden april tot en met december.
5.25.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de vrouw over het jaar 2020 ( € 16.708,77 + € 11.272,77=) € 27.981,54 heeft uitgegeven aan de kosten van de huishouding. Rekening houdend met het (onbetwiste) bedrag van € 2.865 dat de man reeds aan de vrouw heeft betaald voor deze kosten leidt dit tot een vordering van de vrouw op de man van afgerond € 12.558.
2021
5.26.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man voor het jaar 2021 in 2025 nog een bedrag aan de vrouw heeft betaald van € 14.472,50 in het kader van verrekening van de kosten van de huishouding. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen niet kunnen uitleggen waarom dat bedrag niet correct was. De rechtbank gaat daarom voorbij aan wat de man en de vrouw in dit kader gesteld hebben, nu ze hun stellingen onvoldoende hebben toegelicht en ze over 2021 al hebben afgerekend. Dit betekent dat partijen over en weer geen vorderingen (meer) op elkaar hebben voor wat betreft 2021.
2022
5.27.
De vrouw stelt dat zij over het jaar 2022 een bedrag van € 65.544,29 heeft besteed aan de kosten van de huishouding. In dit bedrag zijn ook de hypotheek(rente)aflossingen voor de woning verdisconteerd voor een bedrag van € 650 per maand, totaal € 7.800. De man is hiervan de helft verschuldigd. Dan resteert een bedrag van € 57.744,29. De rechtbank overweegt dat de door de rechtbank onder 5.24 berekende kosten over het jaar 2020 ongeveer 85% bedragen van de door de vrouw over dat jaar gestelde kosten. In lijn hiermee zal de rechtbank over het jaar 2022 eveneens uitgaan van 85% van het door de vrouw gestelde bedrag. Dit leidt tot een door de vrouw besteed bedrag van € 49.082,65.
5.28.
Ten aanzien van kosten die de man ten behoeve van de huishouding heeft betaald zijn partijen het eens over een bedrag van € 3.550. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de door de man opgevoerde bedragen van € 50.000 en € 95.000 buiten beschouwing moeten worden gelaten, nu deze bedragen zien op de door de man gedane aflossingen van de hypotheekschuld van de vrouw op haar woning aan de [straatnaam]. De rechtbank zal ook geen rekening houden met een bedrag van € 400 dat de man op de gemeenschappelijke rekening heeft gestort, nu hij dit bedrag vervolgens weer naar zichzelf heeft overgemaakt. Wel zal de rechtbank rekening houden met het door de man opgevoerde bedrag van € 5.000. Dit bedrag is op de gemeenschappelijke rekening gestort en vervolgens kennelijk door partijen besteed aan de aanschaf van een tafel. Omdat het bedrag van de gemeenschappelijke rekening is betaald, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de tafel gemeenschappelijk bezit is geworden van partijen. Het bedrag is dan ook door de man ten behoeve van de gemeenschap betaald. Dat de tafel thans in bezit is van de man, doet hieraan niet af. Partijen hebben immers geen stellingen ingenomen dat zij bij de verdeling van overig gemeenschappelijk bezit (anders dan de woning) over en weer vorderingen uit overbedeling op elkaar hebben. Dit betekent dat de rechtbank rekening zal houden met een betaling van de man in 2022 van € 8.550.
5.29.
Voorgaande brengt met zich dat partijen over het jaar 2022 een bedrag van
(€ 7.800 + € 49.082,65 + € 8.550 =) € 65.432,65 hebben besteed aan de kosten van de huishouding. Partijen hadden beiden met een bedrag van afgerond € 32.716 aan de kosten van de huishouding moeten bijdragen. De vrouw heeft (onbetwist) gesteld dat de man aan haar reeds een bedrag van € 3.517 heeft betaald voor de kosten van de huishouding. Dit bedrag moet (evenals het bedrag van € 8.550) op zijn aandeel in de kosten van de huishouding in mindering worden gebracht. Dit brengt met zich dat de vrouw een vordering heeft op de man van afgerond € 20.649.
2023
5.30.
De vrouw stelt dat zij over het jaar 2023 een bedrag van € 71.408,06 aan de kosten van de huishouding heeft besteed. In dit bedrag zijn ook de hypotheek(rente)aflossingen voor de woning verdisconteerd voor een bedrag van € 650 per maand, totaal € 7.800. De man is hiervan de helft verschuldigd. Dan resteert een bedrag van afgerond € 63.608. Nu de rechtbank een percentage van 85% van dit bedrag als uitgangspunt neemt, leidt dit tot een door de vrouw besteed bedrag van afgerond € 54.066. In totaal heeft de vrouw voor 2023 een bedrag betaald van afgerond € 7.800 + € 54.066 is € 61.866. De vrouw heeft (onbetwist) gesteld dat de man aan haar reeds een bedrag van € 12.970 heeft betaald voor deze kosten. Partijen zijn het er verder over eens dat de man geen kosten heeft gemaakt ten behoeve van de huishouding over het jaar 2023. Partijen hadden beiden een bedrag van € 61.866 gedeeld door twee is € 30.933 moeten bijdragen. Dit betekent dat de vrouw een vordering heeft op de man van (€ 30.933 - € 12.970 =) € 17.963.
2024
5.31.
De vrouw stelt dat zij over het jaar 2024 (tot en met de maand juni) een bedrag van € 37.718,92 aan de kosten van de huishouding heeft besteed. In dit bedrag zijn ook de hypotheek(rente)aflossingen voor de woning verdisconteerd voor een bedrag van € 650 per maand, totaal € 3.900. De man is hiervan de helft verschuldigd. Dan resteert een bedrag van afgerond € 33.818. Nu de rechtbank een percentage van 85% van dit bedrag als uitgangspunt neemt, leidt dit tot een door de vrouw besteed bedrag van afgerond € 28.745. In totaal heeft de vrouw voor 2024 een bedrag betaald van afgerond € 3.900 plus € 28.745 is € 32.645. De vrouw heeft (onbetwist) gesteld dat de man aan haar reeds een bedrag van
€ 4.460 heeft betaald voor deze kosten. Partijen zijn het er verder over eens dat de man geen kosten heeft gemaakt ten behoeve van de huishouding over het jaar 2024. Partijen hadden beiden een bedrag van € 32.645 gedeeld door twee is afgerond € 16.323 moeten bijdragen. Dit betekent dat de vrouw een vordering heeft op de man van (€ 16.323 - 4.460 =) € 11.863.
Conclusie
5.32.
Voorgaande leidt tot de slotsom dat de man over de jaren 2020, 2022, 2023 en 2024 nog een bedrag van (€ 12.558 + € 20.649 + € 17.963 + € 11.863 =) € 63.033 aan de vrouw moet betalen in het kader van de verrekening van de kosten van de huishouding.
5.33.
Van dit bedrag moeten nog een aantal bedragen worden afgetrokken die de vrouw aan de man is verschuldigd. Partijen zijn het hierover eens. Het betreft bedragen die op de bankrekening van de vrouw zijn gestort, maar die voor de helft toekomen aan de man. Het gaat om een bedrag aan hypotheekrenteteruggave van € 4.110, een bedrag aan kinderopvangtoeslag van € 20.097,50 en een bedrag aan kindgebonden budget van
€ 4.623,69. Dit brengt met zich dat een bedrag van afgerond € 28.831 in mindering moet worden gebracht op de vordering van de vrouw. De vordering van de vrouw bedraagt hiermee (€ 63.033 - € 28.831 =) € 34.202.
Door de vrouw voor de man betaalde kosten
5.34.
De vrouw stelt dat zij € 10.618 aan kosten voor de man heeft betaald die uitsluitend voor zijn rekening komen. Het betreft onder meer kosten voor het telefoonabonnement van de man over de maanden januari 2020 tot juni 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat de vrouw zijn telefoonabonnement betaalde. In 2020 betaalde de vrouw hiervoor € 51,55 per maand en vanaf 2021 tot en met juni 2024 gemiddeld ongeveer € 22 per maand. Dit komt neer op een totaalbedrag van ongeveer € 2.542. Dit bedrag zal de rechtbank toewijzen.
5.35.
Verder stelt de vrouw – onder verwijzing naar het door haar overgelegde overzicht – dat zij bedragen aan de man heeft overgemaakt. De man heeft dit tijdens de mondelinge behandeling erkend, maar betwist de hoogte van het door de vrouw gevorderde bedrag. De man heeft op zijn beurt gezegd dat hij ook bedragen aan de vrouw heeft overgemaakt. De vrouw stelt dat zij hiermee in haar berekeningen reeds rekening heeft gehouden, hetgeen de rechtbank ook opmaakt uit de door de vrouw overgelegde overzichten over de jaren 2020 tot en met 2024. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man de (hoogte van de) vordering van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bij dit oordeel weegt de rechtbank mee dat uit het overzicht van de vrouw volgt dat zij onder meer twee keer een bedrag van € 2.500 aan de man heeft overgemaakt en de rechtbank niet inziet waarom de man de betaling van deze bedragen niet heeft kunnen weerleggen. Een en ander brengt met zich dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 10.618.
Slotsom
5.36.
De man heeft de volgende vorderingen op de vrouw:
- een vordering van € 83.174,63 in verband met de aankoop van de woning;
- een vordering van € 144.827,38 in verband met de aflossing van de hypothecaire lening van de vrouw voor de woning aan de [straatnaam].
De vrouw heeft de volgende vorderingen op de man:
- een bedrag van € 34.202 in verband met de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;
- een bedrag van € 10.618 in verband met door haar voor of aan de man betaalde bedragen.
Per saldo heeft de man een bedrag te vorderen van de vrouw. De man heeft in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie gevorderd dat het door de vrouw aan hem verschuldigde bedrag bij de verdeling van de woning wordt verrekend met de overwaarde van de woning. De rechtbank zal hiertoe overgaan.
5.37.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de man, indien hij de woning overneemt, aan de vrouw verschuldigd is de helft van de overwaarde van de woning (de taxatiewaarde minus de hypothecaire schuld per februari 2025 ten bedrage van € 234.714,83), verminderd met de vordering die hij op haar heeft van opgeteld (€ 83.174,63 + € 144.827,38 =) € 228.002 en vermeerderd met de vordering die de vrouw op hem heeft van opgeteld (€ 34.202 + € 10.618 =) € 44.820, per saldo € 183.182. Nu de taxatiewaarde van de woning nog niet bekend is, kan de rechtbank nog geen concreet bedrag vaststellen dat de man – na verrekening van de vorderingen over en weer – aan de vrouw moet voldoen.
5.38.
Indien de woning wordt verkocht aan een derde, moet uit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost. Van het alsdan resterende bedrag komt een bedrag ter hoogte van het verschil tussen de hoogte van de hypothecaire geldlening per datum levering en de hoogte van de hypothecaire geldlening per februari 2025
(€ 234.714,83) toe aan de man. Partijen zijn ieder bij helfte gerechtigd tot de alsdan resterende overwaarde van de woning, met dien verstande dat de vrouw van haar deel nog een bedrag van (€ 228.002 - € 44.820 =) € 183.182 aan de man moet voldoen. Partijen moeten de notaris verzoeken dit bedrag uit de overwaarde van de vrouw aan de man te betalen.
Kinderalimentatie
5.39.
De vrouw heeft nakoming gevorderd van tussen partijen gemaakte afspraken in het kader van kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) van hun minderjarige zoon.
5.40.
De rechtbank overweegt dat zaken met betrekking tot kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen aanhangig dienen te worden gemaakt middels een verzoekschriftprocedure bij de familierechter. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel op grond van art. 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) - de zogenaamde wisselbepaling – ambtshalve de zaak voor wat betreft de vorderingen die zien op kinderalimentatie, moet verwijzen naar team familie van deze rechtbank zodat de procedure kan worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Tijdens de mondelinge behandeling is echter besproken dat de vrouw zelf een verzoekschriftprocedure zal starten bij de familierechter. De rechtbank zal de vorderingen ten aanzien van de kinderalimentatie daarom afwijzen.
Proceskosten
5.41.
In het feit dat partijen ex-partners zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
in conventie en in reconventie
6.1.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap voor wat betreft de woning aan [adres 1] ([postcode]) te [plaats] als volgt vast:
6.1.1.
de woning wordt toegedeeld aan de man tegen de door de makelaar te taxeren waarde, onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport aan de vrouw aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;
6.1.2.
als aan de in 6.1.1 onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de vrouw (haar aandeel in) de woning binnen een maand overdragen aan de man; de kosten van de overdracht zullen door de man worden gedragen; beide partijen komt in beginsel de helft van de overwaarde (de taxatiewaarde van de woning verminderd met de hypotheekschuld in februari 2025 ten bedrage van € 234.714,83) toe, met dien verstande dat de vrouw van haar deel nog een bedrag van € 183.182 aan de man moet betalen, zoals becijferd in 5.37 en 5.38;
6.1.3.
indien niet aan de in 6.1.1 onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, zullen partijen de woning verkopen en leveren aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen een week na het verlopen van de onder 6.1.1genoemde termijn van drie maanden dan wel binnen een week nadat is gebleken dat niet aan deze voorwaarden is voldaan, indien dit eerder is, een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;
6.1.4.
de man moet de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder maar niet beperkt tot het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het bezichtigen van de woning door potentiële kopers;
6.1.5.
partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit ten minste gelijk is aan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
6.1.6.
partijen dragen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering;
6.1.7.
bij verkoop en levering van de woning aan een derde, moet uit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost. Van het alsdan resterende bedrag komt een bedrag ter hoogte van het verschil tussen de hoogte van de hypothecaire geldlening per datum levering en de hoogte van de hypothecaire geldlening per februari 2025 toe aan de man. Partijen zijn ieder bij helfte gerechtigd tot het daarna resterende bedrag, met dien verstande dat de vrouw van haar deel nog een bedrag van € 183.182 aan de man moet betalen, zoals becijferd in 5.37 en 5.38;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3474