Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7820

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.59957 en NL25.59958
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMProtocol inzake asiel voor EU-onderdanenPoolse Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag Poolse nationaliteit afgewezen wegens ontbreken reëel detentierisico

Eiser, een Poolse staatsburger, diende op 11 november 2025 een asielaanvraag in vanwege een veroordeling voor een drugsdelict en vrees voor mishandeling in Poolse detentie. De minister van Asiel en Migratie verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op 3 december 2025, omdat Polen als veilige lidstaat wordt beschouwd en geen uitzonderingssituaties van het Protocol van toepassing zijn.

Eiser stelde dat de detentieomstandigheden in Polen, waaronder beperkte celruimte, overbevolking, slechte sanitaire voorzieningen en mishandeling, een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren. Hij onderbouwde dit met rapporten van NMPT, FRA en CPT. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in voorlopige hechtenis zal worden genomen, wat essentieel is voor het risico op schending van artikel 3.

De rechtbank benadrukte dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Polen en dat de minister terecht op jurisprudentie van de IRK en eerdere uitspraken kon steunen. De medische omstandigheden en het ontbreken van effectieve klachtenprocedures werden onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.59957 en NL25.59958
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 11 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Aan zijn asielaanvraag legt hij het volgende ten grondslag. Eiser wordt gezocht door de Poolse justitie. Hij is veroordeeld voor een drugsdelict en hij is het niet eens met de gevangenisomstandigheden in Polen. Eiser heeft eerder in Polen in de gevangenis gezeten en is toen mishandeld. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Polen voor personen waarmee hij criminele activiteiten heeft ondernomen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft eisers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU) in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong. [1] Niet is gebleken dat sprake is van één van de situaties zoals genoemd in het Protocol op basis waarvan de asielaanvraag van eiser alsnog inhoudelijk behandeld moet worden. Ook is niet gebleken dat voor Polen – vanwege de detentieomstandigheden – niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft hierbij gewezen op uitspraken van de Internationale Rechtshulpkamer (hierna: IRK) van de rechtbank Amsterdam [2] , de hoogste bestuursrechter [3] , en de rechtbank Den Haag [4] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Uit het opsporingsbericht dat eiser heeft overgelegd volgt dat eiser bij terugkeer naar Polen in detentie geplaatst zal worden. Verweerder heeft voor Polen, met betrekking tot de detentieomstandigheden daar, niet uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder leunt hoofdzakelijk op uitspraken van de IRK en uitspraken van de rechtbank Den Haag, maar heeft verzuimd om zelf het risico te bepalen dat eiser loopt in Polen. De detentieomstandigheden in Polen leveren een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [5] op. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een NMPT-rapport uit 2022 [6] , een FRA-rapport uit 2024 [7] , en een CPT-rapport uit 2024 [8] overgelegd. Uit deze rapporten blijkt onder andere dat de cellen te klein zijn. Polen houdt een minimale persoonlijke ruimte van 3 m² aan, maar heeft bij wet bepaald dat hiervan kan worden afgeweken waardoor de minimum persoonlijke ruimte beperkt kan worden tot 2m². Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft reeds aangenomen dat bij een persoonlijke ruimte kleiner dan 3m² een moeilijk weerlegbaar vermoeden bestaat van schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [9] Daarbij is er ook sprake van verzwarende omstandigheden, zoals overbevolking, te weinig fysieke activiteiten en activiteiten buiten de cel, slechte sanitaire voorzieningen, weinig contact met de buitenwereld en zorgen over de kwaliteit en kwantiteit van het voedsel. Ook is er een tekort aan verzorgend personeel en psychologen. Eiser staat onder behandeling van een arts en heeft langdurige zorg nodig. Verder zijn er signalen over marteling in verschillende detentiecentra en heeft eiser zelf ook verklaard in het verleden mishandeld te zijn door gevangenispersoneel. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser zich tot de autoriteiten moet en kan wenden. Toen eiser mishandeld is, heeft hij dit geprobeerd maar de directeur weigerde in te grijpen. Uit de rapporten blijkt ook dat zelfs wanneer klachten worden gestuurd, deze niet aankomen bij de ombudsman omdat de penitentiaire inrichting ervoor zorgt dat de klachten nooit formeel aanhangig worden gemaakt. Daarnaast worden de mishandelingen zo uitgevoerd dat niets bewezen kan worden, en is er ook een gebrek aan procedures om tekenen van fysiek geweld te documenteren. Tot slot zijn de schendingen van artikel 3 van Pro het EVRM in voorlopige hechtenis nog duidelijker, en heeft eiser gewezen op een tussenuitspraak en een einduitspraak van de IRK waarin wel een gevaar voor schending van de grondrechten van een opgeëiste persoon is aangenomen die in voorlopige hechtenis terecht zal komen. [10]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van één van de situaties zoals genoemd onder a) tot en met d) van het Protocol. Wel is tussen partijen in geschil of ten aanzien van Polen – vanwege de detentieomstandigheden – uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is en zes maanden gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. [11] Uit zijn verklaring volgt niet dat hij bij terugkeer naar Polen in voorlopige hechtenis zal worden genomen. Uit de bepalingen van het Poolse Wetboek van Strafvordering, waar eiser naar heeft verwezen, volgt ook niet dat de omstandigheid dat er voor hem een opsporingsbericht is uitgevaardigd betekent dat hij in voorlopige hechtenis terecht zal komen. Uit artikel 278 volgt Pro dat opsporing wordt gelast, indien de verblijfsplaats van de verdachte niet bekend is. Dit kan een aannemelijke verklaring zijn voor de omstandigheid dat voor eiser een opsporingsbericht is uitgebracht, omdat eiser al enige tijd buiten Polen verblijft. Uit artikel 279 volgt Pro dat een opsporingsbericht wordt uitgevaardigd indien iemand tegen wie een besluit tot voorlopige hechtenis is uitgevaardigd, zich verschuilt. Eiser heeft echter niet gesteld of onderbouwd dat een besluit tot voorlopige hechtenis tegen hem zou zijn uitgevaardigd.
7. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen het risico loopt dat hij in voorlopige hechtenis zal worden genomen. De uitspraken van de IRK waarin een gevaar voor schending van de grondrechten van personen is aangenomen die in voorlopige hechtenis terecht zullen komen, zijn daarom niet van toepassing op eiser. Verweerder neemt wel aan dat eiser bij terugkeer naar Polen mogelijk in de gevangenis zal belanden.
8. Eisers beroepsgrond dat verweerder hoofdzakelijk leunt op uitspraken van de IRK, maar verzuimd heeft om zelf het risico te bepalen dat eiser loopt, slaagt niet. Het toetsingskader van de overleveringsrechter verschilt van het toetsingskader voor een asielaanvraag. Verweerder heeft in het kader van het onderzoek en de beoordeling van een asielaanvraag een eigen verantwoordelijkheid om het risico te bepalen dat een asielzoeker loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [12] De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling wel uitspraken van de IRK heeft kunnen betrekken. Zo is in de uitspraak van 13 maart 2025 op basis van verschillende rapporten van het NMPT en het rapport van het CPT uit februari 2024 geoordeeld dat de detentieomstandigheden in de gevangenissen Tarnów, Łowicz, Potulice, Sztum, Grudziądz en Barczewo, niet zodanig zijn dat sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling. Ook heeft de rechtbank in voormelde uitspraak overwogen dat het EHRM geen recente uitspraken heeft gedaan over de Poolse detentieomstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van structureel geweld tegen gedetineerden. In het algemeen wordt een mogelijk risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM in het geval van Polen door de IRK alleen aangenomen voor zover het gaat om de detentieomstandigheden in faciliteiten voor voorlopige hechtenis (‘remand prisons’) en niet wanneer het gaat om detentie als gevolg van een opgelegde gevangenisstraf. [13]
Met betrekking tot de minimale persoonlijke ruimte heeft verweerder er op zitting terecht op gewezen dat het EHRM in haar rechtspraak een minimale persoonlijke ruimte van 3m² aanhoudt en dat dit ook de officiële minimale standaard is in Polen. In het CPT-rapport staat ook dat deze standaard gerespecteerd lijkt te worden. Eiser heeft erop gewezen dat de minimum persoonlijke ruimte beperkt kan worden tot minder dan 3m², maar heeft niet toegelicht onder welke omstandigheden van deze beperking gebruik gemaakt kan worden en waarom deze omstandigheden op hem van toepassing zouden zijn.
Ook de beroepsgrond van eiser over de medische omstandigheden, slaagt niet. Verweerder heeft er op zitting terecht op gewezen dat eiser in zijn gehoor niets verklaard heeft over medische omstandigheden. Eiser heeft zijn stelling dat hij onder behandeling van een arts staat en langdurige zorg nodig heeft ook niet onderbouwd. Verder heeft verweerder terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2024 [14] waarin is geoordeeld dat niet is gebleken dat gedetineerden structureel geen toegang tot medische basiszorg krijgen.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet tot de Poolse autoriteiten kan wenden. Eiser heeft verklaard dat hij in detentie eerder mishandeld is en toen geprobeerd heeft hierover een klacht in te dienen bij de leiding van de gevangenis, maar dat dit niet is gelukt. Verweerder heeft tegen kunnen werpen dat hieruit nog niet blijkt dat eiser geprobeerd heeft de bescherming van de (hogere) autoriteiten in te roepen, wat wel van eiser mag worden verwacht.
9. Tot slot leiden ook de omstandigheden in samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank niet tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarom uit kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eisers aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie Protocol (nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het Protocol).
2.Uitspraak van 13 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1833; uitspraak van 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909; uitspraak van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1546.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4318.
4.Uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17302.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.‘Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022’.
7.‘Criminal Detention in the EU: Conditions and Monitoring’, European Union Agency for Fundamental Rights, Country: Poland, 29 april 2024.
8.‘Report to the Polish Government on the visit to Poland carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 21 March to 1 April 2022’, 22 februari 2024.
9.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 20 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413 (
10.Uitspraak van 16 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2831 en uitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8204.
11.Zie pagina 5 van het Rapport Gehoor EU-onderdaan.
12.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4318, r.o. 5.1.
13.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de IRK van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7838.
14.ECLI:NL:RVS:2024:4318, r.o. 8.1.