ECLI:NL:RBDHA:2026:7820
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag Poolse nationaliteit afgewezen wegens ontbreken reëel detentierisico
Eiser, een Poolse staatsburger, diende op 11 november 2025 een asielaanvraag in vanwege een veroordeling voor een drugsdelict en vrees voor mishandeling in Poolse detentie. De minister van Asiel en Migratie verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op 3 december 2025, omdat Polen als veilige lidstaat wordt beschouwd en geen uitzonderingssituaties van het Protocol van toepassing zijn.
Eiser stelde dat de detentieomstandigheden in Polen, waaronder beperkte celruimte, overbevolking, slechte sanitaire voorzieningen en mishandeling, een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren. Hij onderbouwde dit met rapporten van NMPT, FRA en CPT. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in voorlopige hechtenis zal worden genomen, wat essentieel is voor het risico op schending van artikel 3.
De rechtbank benadrukte dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Polen en dat de minister terecht op jurisprudentie van de IRK en eerdere uitspraken kon steunen. De medische omstandigheden en het ontbreken van effectieve klachtenprocedures werden onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.