ECLI:NL:RBDHA:2026:7822
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging in Turkije
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De eerste aanvraag in 2021 werd ongegrond verklaard, gevolgd door een buitenbehandelingstelling van een opvolgende aanvraag in 2024 met een opgelegd inreisverbod. De meest recente aanvraag in november 2025 werd eveneens afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser baseert zijn asielverzoek op een nieuw arrestatiebevel en zijn afvalligheid van de islam, waardoor hij vreest voor vervolging en problemen met zijn familie bij terugkeer naar Turkije. De minister acht de identiteit en afvalligheid geloofwaardig, maar vindt de vrees voor vervolging op basis van het arrestatiebevel niet aannemelijk vanwege het ontbreken van een origineel document en concrete aanwijzingen over de aard van de verdenking.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat het arrestatiebevel onvoldoende duidelijkheid biedt en dat eiser onvoldoende heeft toegelicht waarom hij het originele document niet kan overleggen. Ook is de vrees voor vervolging wegens afvalligheid niet aannemelijk, mede omdat afvalligheid in Turkije niet strafbaar is en eiser geen concrete bedreigingen heeft onderbouwd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.