Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7826

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.61162 en NL25.61163
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming niet-ontvankelijk

Eiser diende op 19 september 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde deze aanvraag op 5 december 2025 buiten behandeling omdat eiser niet was verschenen voor een nader gehoor en niet had gereageerd op een uitnodiging, conform artikel 30c van de Vreemdelingenwet 2000.

De gemachtigde van eiser stelde dat er sprake was van onzorgvuldige afhandeling en dat een nieuwe afspraak was gemaakt, maar verweerder gaf aan dat de uitnodigingsbrief van 11 december 2025 een administratieve vergissing betrof. Vervolgens meldde het COA dat eiser met onbekende bestemming (MOB) was vertrokken, waarna verweerder een terugnameverzoek van Duitse autoriteiten ontving en de Dublinclaim aanvaardde.

De rechtbank overweegt dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden, in beginsel wordt aangenomen dat de asielzoeker geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Omdat eiser geen contact meer onderhoudt en geen procesbelang heeft, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Proceskosten worden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming zonder procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61162 en NL25.61163
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 19 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 12 november 2025 geen gevolg gegeven aan de uitnodiging om zich te melden bij verweerder voor zijn nader gehoor. Verweerder heeft daarom op 20 november 2025 het voornemen kenbaar gemaakt om eisers asielaanvraag buiten behandeling te stellen, en eiser twee weken de tijd gegeven om contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. Eiser heeft hierop niet gereageerd, waarna verweerder op 5 december 2025 zijn asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat zij op 1 december 2025 een e-mail van verweerder heeft ontvangen waarin is aangegeven dat een nieuwe afspraak wordt gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft daarop gevraagd of het voornemen daarmee komt te vervallen, waarop verweerder bevestigend heeft geantwoord. Vervolgens is op 5 december 2025 het besluit genomen om eisers aanvraag buiten behandeling te stellen. Op 11 december 2025 heeft verweerder een brief gestuurd met daarin het verloop van de AA-procedure, te beginnen met het nader gehoor op 8 januari 2026. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat zijn asielaanvraag onzorgvuldig is afgehandeld en ten onrechte buiten behandeling is gesteld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Op 13 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser een bericht in het dossier geplaatst waarin staat dat het COA haar heeft laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft op 2 februari 2026 laten weten dat eiser op 2 december 2025 MOB is gemeld door het COA. Op 3 december 2025 heeft verweerder een terugnameverzoek ontvangen van de Duitse autoriteiten. Op 9 december 2025 heeft verweerder de Dublinclaim aanvaard. Verweerder heeft laten weten dat de uitnodigingsbrief van 11 december 2025 een administratieve vergissing betrof. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat zij geen contact meer heeft met eiser. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat na het terugnameverzoek door de Duitse autoriteiten niets meer vernomen is van eiser.
5. Als een asielzoeker met onbekende bestemming is vertrokken, zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de asielzoeker geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. [1] In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
6. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in overweging 4, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.7.