ECLI:NL:RBDHA:2026:7850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.63147
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep na bezwaar

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 april 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van een verzoekster van Nigeriaanse nationaliteit tegen de afwijzing van haar aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.

De minister had op 13 februari 2026 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoekster. Verzoekster heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk indien er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.

Omdat dit niet het geval was, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroep tegen de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63147

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] ,
[geboortedatum verzoekster] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
[V-nummer verzoekster] ,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2
De minister heeft op 13 februari 2026 beslist op het bezwaarschrift.
1.3
Verzoekster heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.