ECLI:NL:RBDHA:2026:7851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.43317
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, van Turkse nationaliteit, een voorlopige voorziening vroeg tegen zijn uitzetting. De minister van Asiel en Migratie had op 11 augustus 2025 het verzoek van verzoeker om een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om uitzetting te schorsen totdat op het bezwaar was beslist.

De minister heeft bij brief van 26 februari 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalde dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat het bezwaar is afgehandeld.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 907,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister om verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43317

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Naam verzoeker] ,

[geboortedatum verzoeker]
van Turkse nationaliteit,
[V-nummer verzoeker]
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het (primaire) besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister verzoekers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.
1.2
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Bij verzoekschrift van 8 september 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
1.4
Bij brief van 26 februari 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een
wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.