ECLI:NL:RBDHA:2026:795
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting
De minister heeft op 5 september 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. De voortzetting van deze bewaring is op 5 januari 2026 aan de rechtbank gemeld, wat gelijkstaat aan een beroep van eiser tegen deze voortzetting. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
Eiser betoogt dat hij al geruime tijd in bewaring verblijft zonder zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede door medische en psychische klachten. Hij stelt dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend is omdat hij medewerking verleent. Tevens klaagt hij over onvoldoende voortvarendheid van de minister.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije, mede omdat de lp-aanvraag nog in onderzoek is en er geen aanwijzingen zijn dat Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen afgeven. Eiser heeft onvoldoende medewerking getoond, bijvoorbeeld door geen contact op te nemen met de consul. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld door regelmatig rappelleren en vertrekgesprekken.
De rechtbank concludeert dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig is en dat een lichter middel niet volstaat om uitzetting te verzekeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard omdat er voldoende zicht is op uitzetting en de minister voortvarend heeft gehandeld.