ECLI:NL:RBDHA:2026:797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.429
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende zicht op uitzetting

De minister heeft op 1 november 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank toetste of sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 21 november 2025 de maatregel nog rechtmatig is. Eiser stelde dat de minister onvoldoende inspanningen verricht om binnen een redelijke termijn zicht op uitzetting te verkrijgen, mede omdat de laissez-passer-aanvraag al drie maanden loopt zonder concrete voortgang. De rechtbank oordeelde echter dat er geen aanwijzingen zijn dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen afgeven en dat de minister voldoende voortvarend handelt, onder meer door vertrekgesprekken en schriftelijke rappellen.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiser niet bereidwillig meewerkt aan zijn uitzetting, wat het zicht op uitzetting ondersteunt. Ook is geen reden om een lichter middel toe te passen in plaats van bewaring. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.429

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. De minister heeft op 1 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 november 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 november 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende inspanningen verricht om zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te bewerkstelligen. De lp [3] -aanvraag loopt inmiddels drie maanden zonder dat er enige concrete voortgang is bewerkstelligd. Eens in de 28 dagen vindt een vertrekgesprek plaats, maar op of vóór 30 december 2025 is dat niet het geval. Eiser is verschenen op de vertrekgesprekken en stelt zich tijdens deze gesprekken coöperatief op. Daarom dient de bewaring sinds 2 december 2025 onrechtmatig te worden geacht.

Beoordeling rechtbank

5. De Afdeling [4] heeft geoordeeld dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Ook acht de rechtbank van belang dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Daar komt bij dat in onderhavige procedure niet is gebleken dat eiser bereidwillig is om zijn medewerking aan de uitzetting te verlenen. Zo kan uit het verslag van het op 2 december 2025 met eiser gehouden vertrekgesprek worden vastgesteld dat hij een afwachtende houding heeft en niets doet om aan een paspoort of identiteitskaart te komen. Ook hiermee is het zicht op uitzetting gegeven.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft er op 2 december 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Daarnaast wordt er ook schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat het meest recente schriftelijke rappel dateert van 8 januari 2026 en dat binnenkort weer een vertrekgesprek zal plaatsvinden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5.3.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.