Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 17 juli 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Gedurende de periode van het besluitmoratorium Syrië gold een verlengde beslistermijn, maar deze is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt.
Eiser stelde de minister op 3 februari 2026 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zestien weken op, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. De rechtbank kan de hoogte van reeds verbeurde dwangsommen niet vaststellen vanwege wetswijzigingen. Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp.