Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 19 januari 2024, waarna de minister niet binnen de wettelijke termijn van 21 maanden een besluit nam. Eiser stelde de minister op 11 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, dat ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is gesteld vanwege het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming, mede omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt.
Verder wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 20 maart 2026.