Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 6 mei 2024, maar had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 9 februari 2026 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en eiser de ingebrekestelling correct heeft gedaan. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de aard van het geschil.